Uitspraak
[X]te
[Z], Marokko (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 5 juli 2018, nr. 17/1233 AOW, betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank op grond van de Algemene Ouderdomswet.
Hoge Raad
Belanghebbende, woonachtig in Marokko, had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over een besluit van de Sociale verzekeringsbank op grond van de Algemene Ouderdomswet.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep. Omdat belanghebbende geen domicilieadres in Nederland had opgegeven, werd hij bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen vier weken. Dit griffierecht werd niet voldaan, en belanghebbende deed geen beroep op betalingsonmacht.
Vervolgens kreeg belanghebbende nogmaals de gelegenheid om te reageren op het niet tijdig betalen van het griffierecht. De reactie van belanghebbende bood geen grond om het verzuim te rechtvaardigen. Daarom werd het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad vond geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en sprak het arrest uit op 21 december 2018, gewezen door vice-president G. de Groot en raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.