Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Hollandvan 8 juni 2018, nr. HAA 17/4351 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 15 februari 2018.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland. Zij deed een beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht, maar dit werd afgewezen omdat niet aan de criteria was voldaan. Vervolgens is belanghebbende meerdere keren schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een betalingstermijn gesteld.
Ondanks deze aanmaningen heeft belanghebbende het griffierecht niet voldaan. Haar uiteindelijke verklaring vormde geen grond om te concluderen dat zij niet in verzuim was. De Hoge Raad oordeelt daarom dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools en uitgesproken op 21 december 2018.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.