ECLI:NL:HR:2019:1194

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2019
Publicatiedatum
11 juli 2019
Zaaknummer
19/00105
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot herziening belastingarrest niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht

Belanghebbende verzocht de Hoge Raad om herziening van een arrest van 21 december 2018. Voor het indienen van dit verzoek is griffierecht verschuldigd. Belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht en overhandigde bewijsstukken over ontvangen AOW-uitkeringen. Dit beroep werd echter afgewezen omdat niet aan de criteria voor betalingsonmacht was voldaan.

De griffier stelde belanghebbende vervolgens bij aangetekende brief in kennis van de verschuldigdheid van het griffierecht en gaf een betalingstermijn van vier weken. Belanghebbende vroeg uitstel van betaling, maar dit verzoek werd eveneens afgewezen. Het griffierecht werd niet voldaan.

Na een laatste gelegenheid om te reageren op het niet tijdig betalen, oordeelde de Hoge Raad dat belanghebbende in verzuim was. Op grond van de Awb-artikelen 8:41 lid 6 en 8:119 lid 2 werd het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/00105
Datum12 juli 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het verzoek van belanghebbende tot herziening van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 21 december 2018, nr. 18/02748, ECLI:NL:HR:2018:2409.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening

Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het voor het herzieningsverzoek verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
In de zaak 18/02748, waarvan thans herziening wordt verzocht, heeft belanghebbende op 22 augustus 2018 een verklaring overgelegd, met jaaropgaven van de door de Sociale verzekeringsbank in 2017 aan belanghebbende en haar fiscale partner op grond van de AOW uitgekeerde bedragen. Naar aanleiding van die verstrekte gegevens is het beroep op betalingsonmacht bij brief van 21 maart 2019 afgewezen, omdat niet is voldaan aan de daarvoor geldende criteria. Tevens is in die brief meegedeeld dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht het verzoek tot herziening niet‑ontvankelijk kan worden verklaard.
De griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 26 maart 2019 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht ter zake van het verzoek tot herziening en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Bij brief van 18 april 2019 heeft belanghebbende verzocht om uitstel van betaling van het verschuldigde griffierecht. De griffier heeft dat verzoek bij brief van 19 april 2019 afgewezen. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier heeft belanghebbende bij brief van 7 mei 2019 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in haar brief van 9 mei 2019 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het verzoek tot herziening moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, in verbinding met artikel 8:119, lid 2, van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2019.