ECLI:NL:HR:2018:2415

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2018
Publicatiedatum
21 december 2018
Zaaknummer
18/01479
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.156 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in geschil over beschikking Wet inkomstenbelasting 2001

Deze zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake een beschikking gegeven aan belanghebbende op grond van artikel 3.156, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Eerder had de Hoge Raad bij arrest van 10 maart 2017 een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dat arrest. In het onderhavige tweede cassatieberoep heeft de Staatssecretaris één middel voorgesteld, dat echter niet tot cassatie kon leiden.

De Hoge Raad oordeelde dat het middel geen nadere motivering behoeft omdat het niet leidt tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en er werd griffierecht geheven van € 508.

Het arrest werd gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

21 december 2018
Nr. 18/01479
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 27 februari 2018, nr. 17/00329, betreffende een ten aanzien van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) gegeven beschikking als bedoeld in artikel 3.156, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2017, nr. 16/03271, ECLI:NL:HR:2017:386, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (nr. BK-15/00771), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 508.