Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
18 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte in een strafzaak over mensenhandel en lidmaatschap van een criminele organisatie. De verdachte was langdurig in voorlopige hechtenis en stelde dat vanwege een overschrijding van de redelijke termijn een strafvermindering van ten minste 25% toegepast moest worden.
Het hof had vastgesteld dat sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn, met een totale overschrijding van circa 30 maanden, maar oordeelde dat een maximale strafvermindering van zes maanden passend was. De verdediging betoogde dat dit niet volstond en dat de strafvermindering substantieel groter moest zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat de motivering begrijpelijk was. De verwerping van het verweer van de verdediging kon zelfstandig worden gedragen door de overwegingen van het hof. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de strafvermindering van zes maanden.
De uitspraak benadrukt de afweging die gemaakt wordt bij overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt dat niet automatisch een korting van 25% passend is, ook bij aanzienlijke overschrijding, mits de motivering van het hof voldoende is.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat een strafvermindering van zes maanden passend is ondanks een overschrijding van de redelijke termijn van circa 30 maanden.