Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
6 maart 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die was veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot invoer van cocaïne. De kernvraag betrof de toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht, dat regelt hoe rekening wordt gehouden met eerdere veroordelingen bij straftoemeting, in het geval dat die eerdere veroordeling in een andere lidstaat van de Europese Unie was uitgesproken.
Het hof had de verdachte veroordeeld tot 32 maanden gevangenisstraf en geweigerd artikel 63 Sr Pro toe te passen op de Deense veroordeling, omdat een buitenlandse strafoplegging volgens het hof niet als een veroordeling in de zin van artikel 63 Sr Pro geldt. De Hoge Raad bevestigde deze interpretatie en verwees naar het kaderbesluit 2008/675/JBZ en de implementatiewetgeving die bepalen dat artikel 63 Sr Pro niet van toepassing is op buitenlandse veroordelingen, mede vanwege verschillen in strafklimaat tussen lidstaten.
De Hoge Raad benadrukte dat de rechter wel vrij staat om een buitenlandse veroordeling anderszins mee te wegen bij de straftoemeting, maar dat de specifieke regeling van artikel 63 Sr Pro beperkt blijft tot nationale veroordelingen. Ook het feit dat de Deense straf grotendeels in Nederland wordt uitgevoerd, verandert hier niets aan. Het beroep van de verdachte werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat artikel 63 Sr niet van toepassing is op de in Denemarken opgelegde straf.