Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
13 maart 2018.
Hoge Raad
In deze zaak is in 1992 in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek beslag gelegd op geldbedragen en een auto van de klager. Pas in 2015, ruim 22 jaar later, is een klaagschrift ingediend om teruggave van deze voorwerpen te verkrijgen.
De rechtbank oordeelde dat het klaagschrift niet binnen de wettelijke termijn was ingediend, omdat het niet zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming was ingediend zoals vereist in artikel 552a, derde lid, Sv. De rechtbank verwierp het verweer dat de klager zijn verdedigingspositie zou hebben geschaad indien hij eerder had geklaagd, omdat dit geen rechtvaardiging bood voor het lange tijdsverloop.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees op de wetsgeschiedenis waarin is aangegeven dat het klaagschrift in beginsel ontvankelijk is zolang de vervolging loopt, met een uiterste termijn van drie maanden na het einde van de zaak. Het belang van tijdige indiening is dat relevant onderzoek nog kan worden verricht. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk.
De uitspraak benadrukt het belang van een spoedige indiening van klaagschriften na inbeslagneming en bevestigt dat een extreem late indiening zonder gegronde reden niet wordt geaccepteerd, ook niet als de klager verdachte was in een strafzaak.
Uitkomst: Het klaagschrift is niet ontvankelijk verklaard wegens niet zo spoedig mogelijk indienen na inbeslagneming.