Conclusie
middel
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een klaagschrift dat 22 jaar na de inbeslagneming van geldbedragen en personenauto's werd ingediend door de klager, die destijds verdachte was in een gerechtelijk vooronderzoek. De rechtbank Rotterdam verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk op grond van artikel 552a lid 3 Sv, omdat het niet 'zo spoedig mogelijk' na de inbeslagneming was ingediend en de wettelijke termijn van drie maanden na het einde van de vervolging was overschreden.
De klager voerde aan dat de termijnregel voor derden geldt en niet voor de verdachte, omdat het indienen van een klaagschrift in een vroeg stadium zijn verdedigingspositie zou schaden. De rechtbank oordeelde echter dat de wettelijke regeling sinds 1993 ook voor de verdachte geldt en dat de uitzonderingen niet van toepassing waren. De rechtbank stelde vast dat er geen rechtens te respecteren belang was om de extreme termijnoverschrijding te rechtvaardigen, mede omdat de verjaringstermijn voor het feit al was verstreken.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift niet tijdig was ingediend en dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht was. De Hoge Raad vond het oordeel niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatiemiddel. De beslissing onderstreept het belang van tijdige indiening van klaagschriften na beslag en bevestigt de toepassing van artikel 552a Sv ook op gevallen van lange termijnoverschrijding na wetswijzigingen.
Uitkomst: Het klaagschrift is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening ruim 22 jaar na beslag.