Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
13 maart 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 maart 2016, waarin het hof een getuigenverzoek heeft afgewezen. Het verzoek was gedaan nadat het uitvoerige vonnis beschikbaar kwam, maar dit was pas na het verstrijken van de termijn voor het indienen van het appelschrift. De Hoge Raad heeft overwogen dat het hof terecht het noodzaakcriterium van artikel 418, derde lid, Sv heeft toegepast en dat de afwijzing gebaseerd was op de grond dat de verdediging van de verdachte redelijkerwijs niet werd geschaad. De Hoge Raad achtte geen nadere motivering noodzakelijk omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, hetgeen de Hoge Raad volgde. Het arrest bevestigt dat de toepassing van het noodzaakcriterium bij getuigenverzoeken na het verstrijken van de termijn voor appelschrift indienen, rechtmatig is indien de verdediging niet wordt geschaad.
De uitspraak is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren M.J. Borgers en M.T. Boerlage, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 13 maart 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.