Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
13 maart 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 27 mei 2015, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt werd toegewezen. Betrokkene stelde dat de schriftelijke volmacht aan de griffier niet duidelijk was gericht op het instellen van cassatieberoep in een ontnemingszaak en dat de cassatie-akte te laat was opgemaakt.
De Hoge Raad oordeelde dat de schriftelijke volmacht voldoende duidelijk was en dat de te late opmaak van de cassatie-akte een ambtelijk verzuim betrof dat niet aan betrokkene kon worden toegerekend. Hierdoor werd betrokkene ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep ondanks de verschoonbare termijnoverschrijding.
De inhoudelijke middelen van het cassatieberoep werden echter niet gegrond bevonden en konden niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd op 13 maart 2018 gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, waarna het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.