ECLI:NL:HR:2018:348

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 maart 2018
Publicatiedatum
15 maart 2018
Zaaknummer
17/02488
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 Wet op de kansspelbelastingArt. 6 lid 3 Wet op de kansspelbelastingArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging inhouding kansspelbelasting bij uitbetaling hoofdprijs carrièrefonds Achmea Kennisquiz

Belanghebbende won in 2005 de hoofdprijs van de Achmea Kennisquiz, bestaande uit een carrièrefonds van maximaal €250.000 ter financiering van opleiding en talentontwikkeling. Het fonds werd beheerd door een stichting die met de Belastingdienst overeenkwam dat kansspelbelasting wordt geheven op het moment van uitkering uit het fonds.

In 2011 werd kansspelbelasting ingehouden op uitbetalingen uit het fonds aan belanghebbende. Het geschil betrof de vraag of deze inhouding terecht was, aangezien belanghebbende in 2005 de prijs won maar het recht op uitbetaling pas later onvoorwaardelijk werd.

Het Hof oordeelde dat kansspelbelasting pas verschuldigd is op het moment dat de prijs onvoorwaardelijk ter beschikking wordt gesteld, dus bij daadwerkelijke uitbetaling. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af, waarbij wordt opgemerkt dat het oordeel geen onjuiste rechtsopvatting bevat en feitelijke waarderingen niet in cassatie kunnen worden getoetst.

De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor proceskostenveroordeling en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat kansspelbelasting terecht wordt geheven bij uitbetaling uit het carrièrefonds.

Uitspraak

16 maart 2018
nr. 17/02488
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 11 april 2017, nr. 15/01547, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 12/4524) betreffende de ten laste van belanghebbende ingehouden kansspelbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende, geboren in 1992, heeft in 2005 de hoofdprijs van de Achmea Kennisquiz gewonnen. De hoofdprijs bestond uit een ‘carrièrefonds’ (hierna: het fonds) ter waarde van maximaal € 250.000. Belanghebbende kon tot dat bedrag een beroep doen op het fonds, teneinde zijn opleiding te bekostigen, dan wel zijn talenten en toekomstkansen te ontwikkelen en/of te realiseren. Het fonds werd beheerd door een stichting.
2.1.2.
Die stichting en de Belastingdienst zijn overeengekomen dat de heffing van kansspelbelasting over een met de Achmea Kennisquiz behaalde hoofdprijs plaatsvindt op het tijdstip en naar rato van uitkeringen uit de respectieve fondsen.
2.2.1.
In 2011 is kansspelbelasting ingehouden op uit het fonds aan belanghebbende betaalde bedragen. Voor het Hof was in geschil of die inhouding terecht is.
2.2.2.
Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het overwogen dat op grond van artikel 6, lid 1, van de Wet op de kansspelbelasting (hierna: de Wet KSB) kansspelbelasting wordt geheven door inhouding op de prijs, waarbij de inhoudingsplichtige ingevolge artikel 6, lid 3, van de Wet KSB verplicht is de belasting in te houden op het tijdstip waarop de prijs ter beschikking is gesteld. Volgens het Hof strookt het met het karakter van de kansspelbelasting om deze bepalingen zo uit te leggen dat pas sprake is van het ter beschikking stellen van een prijs indien de gerechtigde tot die prijs een onvoorwaardelijk recht op uitbetaling daarvan heeft verkregen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende in 2005 niet een onvoorwaardelijk recht op uitbetaling van de prijs verkregen, zodat niet al op dat moment kansspelbelasting had moeten worden ingehouden. De aanspraak op uitbetaling van (een deel van) de prijs ontstond pas in de latere jaren telkens wanneer belanghebbende voldeed aan de voor uitbetaling van (een deel van) de prijs geldende voorwaarden. Steeds op dat moment dient kansspelbelasting te worden geheven door inhouding op de uitbetaalde prijs. De stichting heeft daarom in 2011 terecht kansspelbelasting ingehouden, aldus het Hof.
2.3.1.
Tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel richt zich het tweede middel met een aantal klachten.
2.3.2.
Het middel faalt. ’s Hofs oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 29 juni 2007, nr. 43108, ECLI:NL:HR:2007:AZ2862, BNB 2008/154) en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.
2.3.3.
De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2018.