Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
20 maart 2018.
Hoge Raad
De betrokkene stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerijzaak.
De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden. Het tweede middel, dat klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro, werd gegrond verklaard omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en meer dan twee jaar waren verstreken sinds het cassatieberoep.
Dit leidde tot vermindering van het te betalen bedrag van € 21.000,- naar € 18.900,-. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het opgelegde bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is verminderd naar € 18.900,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.