Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 29 april 2016. De verdachte heeft echter geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn en op de juiste wijze door een raadsman. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Hoge Raad heeft beoordeeld dat het niet indienen van middelen van cassatie binnen de termijn een schending is van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan de verdachte niet worden ontvangen in het beroep. De Hoge Raad verklaart daarom de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.M. Röttgering, en uitgesproken op 20 maart 2018 tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.