Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
20 maart 2018.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar heeft geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn zoals voorgeschreven in art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte. De Hoge Raad volgt dit advies en oordeelt dat het ontbreken van een schriftuur houdende middelen van cassatie betekent dat het beroep niet ontvankelijk is.
De Hoge Raad verklaart daarom het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk en wijst het beroep af. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.M. Röttgering.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.