Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
3 april 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake medeplegen van een woningoverval. De verdediging stelde meerdere middelen aan de orde, waaronder het gebruik van een getuigenverklaring als bewijs zonder dat de verdediging deze getuige kon ondervragen, het niet ambtshalve horen van bepaalde personen als getuigen en een afwijking van de uniforme opsporingsstrategie (uos) met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte.
De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de raadsman van verdachte schriftelijk reageerde. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, waarbij het beroep werd verworpen. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2016 in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.