Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof de belastende verklaring van getuige [getuige] , het enige bewijsmiddel waaruit rechtstreekse betrokkenheid van verdachte bij het bewezenverklaarde zou kunnen blijken, voor het bewijs heeft gebezigd zonder dat de verdediging de gelegenheid heeft gehad deze getuige te ondervragen en eveneens zonder dat er sprake is van compensatie voor dit gebrek.
tweede middelklaagt dat het hof in strijd met de rechtspraak van het EHRM heeft nagelaten ambtshalve [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] als getuige te horen. De steller van het middel verwijst in dit verband naar de uitspraken van het EHRM in de zaak Manoli vs. Moldavië. [4]
derde middelklaagt dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging zonder in het bijzonder de redenen te hebben gegeven voor die afwijking. Dit standpunt kwam erop neer dat de amateuristische wijze waarop de overval werd uitgevoerd, waarbij de overvallers nauwelijks kennis bleken te hebben van de inrichting van de woning van de slachtoffers en van de plaats waar de kluis zich bevond, de inhoud van de brief die bij de slachtoffers is bezorgd en die duidelijk wees op betrokkenheid van verdachte, juist indicaties vormen voor de onschuld van verdachte. Als verdachte wel betrokken zou zijn geweest bij de overval zouden de overvallers door hem toch goed geïnformeerd zijn geweest over de situatie in de woning.