ECLI:NL:HR:2018:50

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 januari 2018
Publicatiedatum
17 januari 2018
Zaaknummer
14/05851
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Uitspraak na prejudiciële beslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 2 Verordening 1408/71Art. 14 lid 2 Verordening 1408/71
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling premieplicht bij grensarbeid op grond van Verordening 1408/71

In deze zaak stond de vraag centraal of een werknemer die in België woont en voor een Nederlandse werkgever werkt, maar 6,5% van zijn arbeidsuren in België verricht zonder voorafgaande overeenkomst, onder de socialezekerheidswetgeving van één of twee lidstaten valt. De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bevestigd, waarbij het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen had beantwoord.

Het Hof van Justitie verduidelijkte dat artikel 14, lid 2, onder b), i), van Verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat een werknemer die zonder voorafgaande afspraak een klein deel van zijn werkzaamheden in een andere lidstaat verricht, niet wordt gezien als iemand die in twee lidstaten werkt. Hierdoor is alleen de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar de werkgever gevestigd is van toepassing.

De Hoge Raad concludeerde dat belanghebbende niet als grensarbeider in de zin van de verordening moet worden aangemerkt en dat uitsluitend de Nederlandse socialezekerheidswetgeving geldt. De klachten van belanghebbende werden verworpen en het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de Nederlandse socialezekerheidswetgeving is van toepassing.

Uitspraak

19 januari 2018
nr. 14/05851bis
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z], België (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 16 oktober 2014, nr. 13/00989, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vraag.

1.De loop van het geding in cassatie tot dusver

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 30 oktober 2015, nr. 14/05851, ECLI:NL:HR:2015:3176, BNB 2016/17, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vraag.
Bij arrest van 13 september 2017, X, C-570/15, ECLI:EU:C:2017:674, BNB 2017/214, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vraag, voor recht verklaard:
“Artikel 14, lid 2, onder b), i), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008, moet aldus worden uitgelegd dat een persoon als in het hoofdgeding, die in loondienst werkzaam is voor rekening van een op het grondgebied van een lidstaat gevestigde werkgever en die woont in een andere lidstaat, op het grondgebied waarvan hij in het betreffende jaar een deel van die werkzaamheden in loondienst – 6,5 % van zijn arbeidsuren – heeft verricht, zonder dat dit vooraf met zijn werkgever was overeengekomen, niet moet worden beschouwd als een persoon die werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van twee lidstaten pleegt uit te oefenen in de zin van die bepaling.”
De Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest.

2.Nadere beoordeling van de klachten

Gelet op de feiten waarvan de Hoge Raad in het hiervoor genoemde arrest van 30 oktober 2015 is uitgegaan, volgt uit de hiervoor weergegeven verklaring voor recht van het Hof van Justitie dat belanghebbende niet moet worden beschouwd als een persoon die werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van twee lidstaten pleegt uit te oefenen in de zin van artikel 14, lid 2, letter b, onderdeel i, van Verordening (EEG) nr. 1408/71. Hij moet daarom voor de toepassing van deze verordening worden aangemerkt als een persoon die werkzaamheden in loondienst verricht op het grondgebied van één lidstaat, Nederland. Op grond van artikel 13, lid 2, aanhef en letter a, van deze verordening is dan uitsluitend de Nederlandse socialezekerheidswetgeving toepasselijk. De klachten falen dus.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2018.