Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
3 april 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 10 juni 2016, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van een woninginbraak. De verdachte stelde onder meer dat bewijs onrechtmatig was verkregen en dat de motivering van de bewezenverklaring omtrent medeplegen ontoereikend was.
De Hoge Raad verwijst naar een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2018:487) waarin de relevante rechtsvragen omtrent de rechtmatigheid van de aangewende opsporingsbevoegdheden en de bewijsregels bij medeplegen uitvoerig zijn behandeld. Op basis daarvan oordeelt de Hoge Raad dat de middelen van de verdachte niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad bevestigt daarmee de rechtmatigheid van de gebruikte opsporingsbevoegdheden en de motivering van het hof omtrent medeplegen. Het beroep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en is gepubliceerd op 4 april 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake medeplegen woninginbraak.