Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof het verweer “strekkende tot bewijsuitsluiting van bij een (onrechtmatige) doorzoeking van een auto aangetroffen goederen heeft verworpen op ontoereikende gronden”.
Rechtmatigheid van de doorzoeking
inde auto neerkomt op een
doorzoekingen dat voor zo een doorzoeking geen wettelijke grondslag bestaat.
“Artikel 5:151. Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.[..]”
“Artikel 5:181. Een toezichthouder is bevoegd zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen.
“Artikel 5:19
vaneen voertuig en de lading daarvan door een toezichthouder met een daartoe verstrekte toezichthoudende taak en niet beoogt een (algemene) bevoegdheid tot het doen van een
doorzoekingte verlenen
.Dat neemt niet weg dat in het begrip onderzoek hier wel een kleine rek lijkt te zitten. In die zin ook Schuiling en Vermeer in hun commentaar op de Awb: “Zoals ook bij artikel 5:18 is Pro aangegeven impliceert de bevoegdheid van art. 5:19 ook Pro de voorbereidende werkzaamheden om te kunnen onderzoeken. Zo zal een deel van de lading verplaatst mogen worden, mogen verpakkingen worden geopend en dergelijke”. [23] Die uitleg acht ik gelet op de wettekst en de wetsgeschiedenis niet onjuist.
doorzoekingvan de auto, is naar mijn mening zeker onjuist.
nade ontdekking op heterdaad van de overtreding van het bij artikel 2:44 van Pro die APV gestelde verbod- de in artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheid tot doorzoeking”. Aan het gedeelte dat betrekking heeft op de bevoegdheden op basis van de Wegenverkeerswet 1994 en de APV van de gemeente Zwijndrecht heb ik reeds beschouwingen gewijd en daar verwijs ik hier naar. Waar het mij nu om gaat is dat ik deze overweging aldus begrijp dat daarin als ’s hofs oordeel besloten ligt dat het optreden van de opsporingsambtenaren voorafgaand aan het aantreffen van de schroevendraaier niet meer omvatte dan zoekend rondkijken. De vraag of dat impliciete oordeel van het hof juist is, zal ik beantwoorden niet dan nadat ik ook de meer specifiek strafrechtelijke kant van de grens tussen ‘zoekend rondkijken’ en ‘doorzoeken’ heb besproken.
Stb. 243 tot herziening van het gerechtelijk vooronderzoek het volgende in:
NJ2004/453 bedoelde situatie waarin het onderzoek in een plastic zak en een boodschappentas pas plaatsvond
nadatdeze in beslag waren genomen.
opzij legtomdat deze het zicht onder de bijrijdersstoel belemmert, ziet hij de punt van een grote schroevendraaier uit deze tas steken” (cursivering van mij, EH). Uit de stukken van het geding blijkt dat het hof de zaak op de terechtzitting van 11 november 2014 heeft verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde de verbalisanten als getuigen te horen over de rechtmatigheid van het onderzoek in de auto. Verbalisant [verbalisant 4] heeft, aldus het daarvan opgemaakte proces-verbaal, ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat hij: “een tasje zag hangen of staan en toen heb ik het aan de kant gelegd om onder te stoel te kijken. Toen ik het tasje pakte zag ik een schroevendraaier eruit steken.” [37] Kennelijk heeft het hof het oog gehad op deze verklaring bij het vaststellen van de feitelijke toedracht van het onderzoek in de auto in relatie tot de vraag naar de rechtmatigheid van de opsporingshandelingen. Mijns inziens kunnen deze feitelijke vaststellingen van het hof moeilijk anders worden uitgelegd dan dat het hof bewijsmiddel 1 weliswaar redengevend heeft geacht voor het bewijs en de daarin vervatte feitelijkheden in beginsel ook volgt, maar dat het hof ten aanzien van de aanvang van het onderzoek in de auto en de rechtmatigheid daarvan de feitelijke toedracht nauwkeuriger formuleert, waarbij het zich baseert op de verklaring die de verbalisant te dien aanzien heeft gegeven.
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd.
Nadere bewijsoverweging
NJ2016/412, m.nt. Rozemond onder meer het volgende overwogen:
redelijketwijfel verheven kan worden geacht, gelijk het hof heeft gedaan. Nu de verdachte geen de redengevendheid van het bewijs ontzenuwende verklaring heeft gegeven, berust de bewezenverklaring op gronden die haar kunnen dragen en is zij voldoende met redenen omkleed.