ECLI:NL:HR:2018:508

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 april 2018
Publicatiedatum
4 april 2018
Zaaknummer
16/06019
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 382 Rv
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in arbeidsrechtelijke procedure tegen Royal Bank of Scotland

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 april 2018 het cassatieberoep van eiser verworpen in een arbeidsrechtelijke procedure tegen The Royal Bank of Scotland N.V. (RBS). Het geding betreft een vervolg op eerdere arresten van de Hoge Raad en gerechtshof Den Haag, waarbij onder meer de vraag speelde of in een eerdere procedure sprake was van bedrog of het achterhouden van stukken. Het hof had op 6 september 2016 uitspraak gedaan, welke door eiser in cassatie werd aangevochten.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere arresten van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2013, 24 februari 2015, 29 maart 2016 en 6 september 2016 voor het geding in feitelijke instantie. In cassatie heeft RBS een voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld, maar aangezien het principale beroep faalt, komt het incidentele beroep niet aan de orde.

De klachten van eiser in het cassatiemiddel leiden niet tot cassatie, mede omdat deze niet de beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling vereisen. De Hoge Raad veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding, begroot op een totaal van €3.056,34.

De uitspraak bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof en sluit het geschil in cassatie af.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van eiser en bekrachtigt het arrest van het gerechtshof Den Haag.

Uitspraak

6 april 2018
Eerste Kamer
16/06019
TT/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. K. Aantjes,
t e g e n
THE ROYAL BANK OF SCOTLAND N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. F.M. Dekker.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en RBS.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het arrest in de zaak 200.106.378/01 van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2013;
b. de arresten in de zaak 200.106.378/02 van het gerechtshof Den Haag van 24 februari 2015, 29 maart 2016 en 6 september 2016.
Het arrest van het hof van 6 september 2016 is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 6 september 2016 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. RBS heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt in het principale cassatieberoep tot verwerping.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 9 februari 2018 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van RBS begroot op € 856,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
6 april 2018.