Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
1.Het geding
2.Het tweede geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
27 juni 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de werkgever aansprakelijk was voor schade die voortvloeide uit het ontnemen van bepaalde werkzaamheden aan de werknemer, en of er aanspraak bestond op een aanvullende bonus. Eiser had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2013, dat de bank in het gelijk stelde.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten, waaronder het arrest van 13 januari 2012, en overweegt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie. Er is geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen oproepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding, waarbij een bedrag van € 818,34 aan verschotten en € 2.200,-- aan salaris aan de zijde van de bank wordt toegekend. Hiermee wordt de eerdere beslissing van het gerechtshof bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de eerdere uitspraak van het gerechtshof bevestigd.