Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit drie besloten vennootschappen die handel drijven in personenauto’s, bracht btw in aftrek over leveringen van auto's afkomstig uit Duitsland. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op wegens vermoeden van deelname aan een btw-fraudeketen.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat belanghebbende wist of had moeten weten dat de transacties deel uitmaakten van een frauduleuze keten, en weigerden de aftrek van de btw. Het Hof baseerde zich onder meer op verklaringen van een verkoopmedewerker en administratieve documenten.
In cassatie klaagde belanghebbende over onvoldoende motivering van het Hof, het niet beoordelen van het verzoek tot overlegging van het originele factuurdocument en het niet ingaan op essentiële stellingen. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het belanghebbende wetenschap toerekent en dat het Hof niet heeft gereageerd op het verzoek tot overlegging van het originele factuur.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing, waarbij nader onderzoek moet plaatsvinden naar de wetenschap van belanghebbende omtrent de fraude.
De Staatssecretaris werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding en moest het betaalde griffierecht terugbetalen.