Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het derde en het zesde middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Slotsom
6.Beslissing
17 april 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad de maatstaven voor de redelijke termijn in strafzaken opnieuw beoordeeld naar aanleiding van een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De verdachte was in voorlopige hechtenis en de behandeling van de zaak in hoger beroep en cassatie overschreed de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
De Hoge Raad bevestigt dat de tot nu toe gehanteerde vuistregels inzake de redelijke termijn adequaat en praktisch toepasbaar zijn en ziet geen noodzaak tot aanpassing. Wel benadrukt de Hoge Raad dat in gevallen van overschrijding, zeker bij voorlopige hechtenis, een strafvermindering passend is. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte een geringe overschrijding van de redelijke termijn constateerde zonder strafvermindering toe te passen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze van twintig jaar tot negentien jaar en vier maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Tevens wordt gewezen op de mogelijkheid voor betrokkenen om civielrechtelijke schadevergoeding te vorderen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van twintig jaar naar negentien jaar en vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.