In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende tegen het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden behandeld. Het geschil betreft de toekenning en berekening van proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep en incidenteel hoger beroep in belastingzaken.
Het Hof had dertien zaken als samenhangend aangemerkt voor de proceskostenvergoeding, terwijl slechts in vijf van deze zaken incidenteel hoger beroep was ingesteld door de Inspecteur. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte niet onderscheid heeft gemaakt tussen principale en incidentele hoger beroepen bij de beoordeling van samenhang en proceskostenvergoeding. Voor het principale hoger beroep dienen dertien zaken te worden betrokken, voor het incidentele hoger beroep slechts vijf.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn van twee jaar voor de berechting in hoger beroep niet is overschreden, omdat het hoger beroep op 22 april 2015 is ingesteld en het Hof uitspraak deed op 28 maart 2017. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof voor zover het de proceskosten betreft en bepaalt de correcte berekening van de proceskostenvergoeding. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur in de proceskosten van het cassatie- en hofgeding.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 3, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht bij samenhangende zaken en de wijze van vergoeding van proceskosten bij zowel principale als incidentele hoger beroepen.