Belanghebbende stelde in hoger beroep een belastinggeschil aan de orde betreffende een door hem op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deed uitspraak op 28 maart 2017, na het instellen van het hoger beroep op 22 april 2015.
Belanghebbende voerde in cassatie aan dat het hof had moeten beoordelen of de redelijke termijn van twee jaar voor berechting in hoger beroep was overschreden en dat bij overschrijding een immateriële schadevergoeding had moeten worden toegekend. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn van twee jaar niet was overschreden, aangezien het hof binnen deze termijn uitspraak had gedaan.
De Hoge Raad verwierp het middel dat ten onrechte de aanvang van de termijn stelde op het moment van uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de overige middelen niet tot cassatie konden leiden. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend en het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.