Belanghebbende had BPM betaald over een ingevoerde marge-auto en maakte bezwaar tegen de hoogte van de BPM en het ontbreken van rentevergoeding en proceskostenvergoeding. De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard en rente en proceskosten toegekend. In hoger beroep stond de juiste BPM-heffing, de rentevergoeding, de hoogte van proceskostenvergoeding en vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn centraal.
Het hof bevestigde dat belanghebbende recht heeft op een korting op de BPM gebaseerd op marge-auto als referentie, waardoor de BPM werd verminderd tot €9.467. De rechtbank had de rentevergoeding correct vastgesteld, maar het hof kon daarover niet oordelen wegens bevoegdheidsbeperkingen. De overschrijding van de redelijke termijn werd vastgesteld op bijna tien maanden, waardoor belanghebbende aanspraak maakt op een immateriële schadevergoeding van €1.000.
De proceskostenvergoeding werd aangepast: voor de bezwaarfase werd afgeweken van de forfaitaire regeling wegens duizenden soortgelijke zaken, en voor de beroeps- en hogerberoepsfase werd een vergoeding toegekend van respectievelijk €54,50 en €171,35. De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht. De uitspraak is gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden op 28 maart 2017.