Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
17 april 2018.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 juni 2016. Echter zijn geen middelen van cassatie namens de verdachte ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman, zoals vereist volgens art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en geoordeeld dat het niet indienen van de middelen betekent dat het beroep niet in behandeling kan worden genomen.
Daarom verklaart de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 17 april 2018.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.