Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 april 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland over een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv, waarbij de klager verzocht om teruggave van een inbeslaggenomen auto aan zijn moeder, de eigenaar van het voertuig.
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 552a Sv niet de mogelijkheid biedt om op verzoek van een belanghebbende de teruggave van het inbeslaggenomen goed aan een ander dan de eigenaar te gelasten. De rechtbank had het klaagschrift daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren voor zover het betrekking had op de auto.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd dat de bestreden beschikking vernietigd zou moeten worden voor wat betreft de beslissing over de auto, maar dat de klager alsnog niet-ontvankelijk verklaard moest worden in het klaagschrift. De Hoge Raad volgt dit advies en verwerpt het beroep in cassatie zonder nadere motivering, aangezien het middel geen rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het klaagschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking heeft op de teruggave van de inbeslaggenomen auto aan een derde.