Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2018:634

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 april 2018
Publicatiedatum
19 april 2018
Zaaknummer
16/03303
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 letter b Wet OB 1968Art. 7 Wet OB 1968Art. 135 lid 1 letter l BTW-richtlijn 2006Art. 135 lid 2 letters a tot en met d BTW-richtlijn 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat terbeschikkingstelling opslagruimte kwalificeert als verhuur onroerende zaak voor omzetbelasting

Belanghebbende exploiteerde een bedrijf waarbij hij afzonderlijke opslagruimten in een pand tegen vergoeding ter beschikking stelde voor de opslag van goederen. Hoewel bijkomende diensten werden aangeboden, zoals transportwagentjes en beperkte openingstijden, stelde belanghebbende dat de dienstverlening beter gekarakteriseerd moest worden als opslag van goederen met een zakelijk-industrieel karakter.

De Inspecteur stelde dat de terbeschikkingstelling als verhuur van onroerende zaken moest worden aangemerkt en daarom vrijgesteld was van omzetbelasting. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde dat de kern van de overeenkomst het exclusieve gebruik van een afgebakende ruimte betrof en dat bijkomende diensten en openingstijden niet afdoen aan het karakter van verhuur.

In cassatie bevestigde de Hoge Raad dat verhuur van een onroerende zaak een passieve activiteit is die geen toegevoegde waarde oplevert, en dat bijkomende diensten slechts van ondergeschikt belang zijn indien zij het gebruik faciliteren. De Hoge Raad verwierp het middel van belanghebbende en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de terbeschikkingstelling van opslagruimten kwalificeert als verhuur van een onroerende zaak en vrijgesteld is van omzetbelasting.

Uitspraak

20 april 2018
nr. 16/03303
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 20 mei 2016, nr. 14/00625, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/4900) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is ondernemer in de zin van artikel 7 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Hij oefende in 2005 onder de naam “ [A] ” een bedrijf uit in een pand waarin zich afzonderlijke eenheden bevonden. Belanghebbende stelde (gedeelten van) deze eenheden (hierna: de opslagruimten) tegen vergoeding ter beschikking voor de opslag van goederen.
2.1.2.
Belanghebbende zorgde voor permanente bewaking van het pand. Het pand was voorzien van ventilatie en van verwarming die ervoor zorgde dat de temperatuur nooit lager werd dan 6 graden Celsius. In de opslagruimten zelf waren geen aansluitingen voor elektriciteit aanwezig. De openingstijden van het pand waren beperkt. Klanten mochten alleen in het pand komen om goederen van en naar de opslagruimten te brengen. Belanghebbende stelde daarvoor transportwagentjes ter beschikking. Voorts konden klanten gratis gebruik maken van een bestelbus of een aanhangwagen.
2.1.3. Belanghebbende heeft ter zake van de terbeschikkingstelling van de opslagruimten omzetbelasting op aangifte voldaan. De hem in rekening gebrachte omzetbelasting heeft hij volledig in aftrek gebracht.
2.1.4.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de terbeschikkingstelling van de opslagruimten moet worden aangemerkt als verhuur van onroerende zaken als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter b, aanhef, van de Wet en daarom is vrijgesteld van omzetbelasting. De Inspecteur heeft de door belanghebbende in aftrek gebrachte omzetbelasting herrekend en de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat het doel van het sluiten van de overeenkomst weliswaar opslag is, maar dat belanghebbende daarin voorziet door een overeenkomst aan te bieden die recht geeft op het exclusieve gebruik van een afzonderlijke, afgebakende ruimte. De eventuele bijkomende diensten, alsmede de beperking van de toegang tot het gehuurde tot (verruimde) kantoortijden, doen aan de kern van die overeenkomst naar het oordeel van het Hof niet af. Het Hof heeft daarbij in overweging genomen dat ook bij reguliere verhuur van onroerende zaken het gebruikelijk is dat aanvullende diensten worden aangeboden en voorts dat de beperking van de toegankelijkheid door het hanteren van openingstijden niet maakt dat de onroerende zaak niet aan de klanten ter beschikking staat.
2.3.
Het middel is gericht tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het betoogt dat de dienstverlening van belanghebbende moet worden geduid als opslag van goederen. Het middel verwijst in dit verband naar punt 20 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 november 2004, Temco Europe SA, C‑284/03, ECLI:EU:C:2004:730 (hierna: het arrest Temco). Volgens het middel heeft de dienstverlening van belanghebbende een zakelijk-industrieel en commercieel karakter, zoals ook de uitzonderingen op de vrijstelling voor de verhuur van onroerende zaken bedoeld in artikel 11, lid 1, letter b, aanhef en onder 1° tot en met 4°, van de Wet, en wordt die dienstverlening beter gekarakteriseerd als opslag van goederen dan als het enkel ter beschikking stellen van een onroerende zaak.
2.4.1.
Het middel wil kennelijk betogen dat het Hof met zijn hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen een verkeerde maatstaf heeft aangelegd. Met betrekking tot die maatstaf is het volgende van belang.
De verhuur van een onroerende zaak als bedoeld in het met artikel 135, lid 1, letter l, van BTW-richtlijn 2006 overeenkomende artikel 11, lid 1, letter b, van de Wet, is in de regel een betrekkelijk passieve activiteit die enkel verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert (vgl. HR 1 december 2017, nr. 15/05302, ECLI:NL:HR:2017:3037, BNB 2018/47, rechtsoverweging 2.4.2 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze activiteit wordt gekenmerkt door het feit dat de onroerende zaak zelf het voorwerp van de dienst vormt (vgl. HvJ 27 juni 2013, RR Donnelly Global Turnkey Solutions Poland, C-155/12, ECLI:EU:2013:434, hierna: het arrest Donnelly, punt 36). Zij moet worden onderscheiden van andere activiteiten die ofwel een zakelijk-industrieel en commercieel karakter hebben, zoals de uitzonderingen van artikel 135, lid 2, letters a tot en met d, van BTW-Richtlijn 2006, ofwel een voorwerp hebben dat beter wordt gekarakteriseerd door het leveren van een prestatie dan door de enkele terbeschikkingstelling van een goed. Het hiervoor bedoelde passieve karakter gaat met name verloren wanneer de andere elementen van de prestatie waarmee rekening wordt gehouden een meer dan kennelijk bijkomstig karakter hebben ten opzichte van dat deel van de wederprestatie dat met het tijdsverloop verband houdt (vgl. het arrest Temco, punten 20 en 23 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
Bij de beantwoording van de vraag of een prestatie die niet alleen het passief ter beschikking stellen van een onroerende zaak behelst maar ook andere activiteiten omvat desalniettemin als verhuur van een onroerende zaak moet worden aangemerkt, moet derhalve worden beoordeeld of deze andere activiteiten als bijkomstig aan die terbeschikkingstelling moeten worden beschouwd. Indien het gaat om handelingen waarvan is te onderkennen dat zij worden verricht om een specifiek gebruik van de onroerende zaak door de huurder te faciliteren, dient daartoe te worden beoordeeld of deze activiteiten voor het doel van het gebruik van de ter beschikking gestelde onroerende zaak van ondergeschikt belang zijn en daarom geen toegevoegde waarde van betekenis opleveren (vgl. HR 7 december 2012, nr. 10/02532, ECLI:NL:HR:2012:BU8847, BNB 2013/46, rechtsoverweging 5.2.3).
2.4.2.
In de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof ligt besloten het oordeel dat de door belanghebbende voor de opslag ter beschikking gestelde voorzieningen en aanvullend dienstbetoon voor het doel van het gebruik van ondergeschikt belang zijn voor bij het voor een bepaalde duur ter beschikking stellen van (een gedeelte van) een onroerende zaak. Dit oordeel geeft niet blijk van miskenning van de hiervoor in 2.4.1 weergegeven maatstaven. De door het middel bestreden oordelen geven ook voor het overige niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij zijn verweven met waarderingen van feitelijke aard en kunnen daarom voor het overige niet op juistheid worden getoetst. Die oordelen zijn ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2018.