Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
24 april 2018.
Hoge Raad
De betrokkene stelde beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit Opiumwetdelicten. De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging van het hofarrest, maar alleen wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, met vermindering daarvan.
Het eerste middel van de betrokkene werd verworpen omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden. Dit middel werd gegrond verklaard, wat aanleiding gaf tot vermindering van de betalingsverplichting.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en stelde deze vast op €28.500. Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 24 april 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot €28.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.