Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
15 mei 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag, sector Kanton, waarin de verdachte schuldig werd verklaard voor een overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Den Haag 2013 zonder oplegging van straf.
De kantonrechter had de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en in het proces-verbaal van de terechtzitting volstond met een verwijzing naar een gewaarmerkte aantekening (stempelvonnis). Deze aantekening ontbrak echter aan essentiële elementen zoals de gebruikte bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring.
De Hoge Raad oordeelde dat het vonnis niet voldoet aan de vereisten van artikel 395, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in verbinding met artikel 2 van Pro de Regeling aantekening mondeling vonnis. Hierdoor is het vonnis niet rechtsgeldig aangetekend en moet het worden vernietigd.
De zaak wordt terugverwezen naar de Rechtbank Den Haag, sector Kanton, voor een nieuwe berechting conform de wettelijke voorschriften. Tevens werd geoordeeld dat het niet onverwijld opmaken van de cassatie-akte niet tegen de verdachte kan worden gebruikt.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een volledige en correcte motivering in stempelvonnissen en de naleving van formele vereisten voor de rechtsgeldigheid van vonnissen.
Uitkomst: Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.