Conclusie
[de werknemers]) zijn in het kader van een reorganisatie bij verweerster in cassatie (hierna:
NXP) ontslagen. Het sociaal plan bepaalt dat werknemers die zijn geboren in 1950, 1951 of 1952 aanspraak hebben op een ontslagvergoeding wegens salarisderving tot de redelijkerwijs te verwachten pensioneringsdatum, voor hen 62 jaar (hierna:
de maximeringsregeling). [de werknemers] behoren tot die groep. Voor de ontslagvergoeding van werknemers die zijn geboren na 1952 geldt als uitgangspunt salarisderving tot 65 jaar, destijds de officiële pensioenleeftijd bij NXP. Als gevolg van de maximeringsregeling ontvangen de oudste werknemers geen of een lage ontslagvergoeding. Daar staat tegenover dat zij een onvoorwaardelijke aanspraak hebben op een extra pensioen ter compensatie van de afschaffing van de VUT. De na 1952 geboren werknemers hebben slechts een voorwaardelijke aanspraak op dit extra pensioen en voor hen is dat een lager bedrag. In geschil is of de maximeringsregeling voor de oudste werknemers een verboden onderscheid op grond van leeftijd vormt.
1.Feiten
onvoorwaardelijkeaanspraak op het VEP, waarvan de hoogte is gebaseerd op de oude VUT-regeling van Philips genaamd TOP-SUM. Werknemers die zijn geboren in de jaren 1953-1972 hebben een
voorwaardelijkeaanspraak op het extra pensioen gebaseerd op TOP-SUMO. Een VEP gebaseerd op TOP-SUMO ligt lager dan een VEP gebaseerd op TOP-SUM.
Voor medewerkers geboren in 1950, 1951 of 1952 geldt, indien zij aanspraak hebben op de TOPSUM(VEOP)-regeling van PME, als uittredingsrichtdatum de eerste van de maand waarin de desbetreffende medewerker de leeftijd van 62 jaar bereikt.Indien en voor zover de medewerker, geboren in 1950, 1951 of 1952, aantoont geen aanspraken te kunnen ontlenen aan de VEOP-regeling, wordt als uittredingsrichtdatum gehanteerd, de eerste dag van de maand waarin de medewerker alsnog kan pensioneren onder dezelfde voorwaarden als op 62 jaar, als ware bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar de VEOP-regeling wel van toepassing geweest.
2.Procesverloop
Eerste aanleg
legitiem doeldient:
redelijkerwijs te verwachten pensioneringsdatum’ van Aanbeveling 3.5. De onderhandelingspartijen achtten het niet wenselijk dat per individueel geval zou moeten worden besproken wat de redelijkerwijs te verwachten pensioenleeftijd was en hebben daarom een collectieve afspraak hierover in het sociaal plan gemaakt. [de werknemers] betwisten dit gestelde doel als zodanig niet, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Mede gelet op hetgeen het hof onder 5.6 heeft overwogen, oordeelt het hof voormeld doel legitiem.”
passend middelom het legitieme doel te bereiken:
noodzakelijk middel:
collectiefinvulling te geven aan het begrip “redelijkerwijs te verwachten pensioneringsdatum” en te voorkomen dat per individueel geval de pensioendatum besproken diende te worden, kunnen [de werknemers] zich niet met succes op een latere pensioendatum beroepen dan die waarin het sociaal plan voorziet met de stelling dat zij van het vroegpensioen geen gebruik zouden hebben gemaakt als hun arbeidsplaats niet was vervallen. Daarbij neemt het hof in ogenschouw dat bij collectieve regelingen zoals een sociaal plan in het algemeen niet kan worden geëist dat elk geval afzonderlijk wordt onderzocht om te bepalen wat het best aan de specifieke behoefte van elke werknemer beantwoordt, nu een dergelijke regeling zowel vanuit technisch als economisch oogpunt beheersbaar dient te blijven (HvJ EU 26 september 2013, C-546/11). Dit betekent dat de maximeringsregeling ook noodzakelijk wordt geoordeeld om het doel te bereiken.”
3.Juridisch kader leeftijdsdiscriminatie
in een vergelijkbare situatie” bevinden.
KLM-piloten:
op grond van geslacht.
Birds Eye Wallsuit 1993 oordeelde het Hof van Justitie dat een regeling op grond waarvan vrouwen tussen de 60 en 65 jaar van hun werkgever een lager overbruggingspensioen kregen toegekend dan hun even oude mannelijke collega’s geen verboden discriminatie vormde. [18] Volgens dit arrest verkeerden mannen en vrouwen in (objectief vast te stellen) verschillende posities, omdat vrouwen vanaf hun 60e een staatspensioen ontvingen en mannen pas vanaf hun 65e.
Hlozekuit 2004 werd uitgemaakt dat de vergelijkbaarheid van situaties dient te worden getoetst aan de doelstelling van de regeling die het verschil in behandeling invoert. [19] In het arrest
Kleistuit 2010 bevestigde het Hof van Justitie dat de vergelijkbaarheid met name dient te worden getoetst aan “
de doelstelling van de regeling die het verschil in behandeling invoert.” [20] In die zaak draaide het om de Oostenrijkse wettelijke regeling op grond waarvan werknemers bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd konden worden ontslagen (vrouwen op hun 60e en mannen op hun 65e). Over die zelfde Oostenrijkse regeling gaat het arrest
Kusouit 2013. [21] Het Hof van Justitie overwoog (onderstrepingen toegevoegd; A-G):
de doelstelling van de nationale regelingdie het verschil in behandeling invoert (zie in die zin arrest van 9 december 2004, Hlozek, C-19/02, Jurispr. blz. I-11491, punt 46, en arrest Kleist, reeds aangehaald, punt 34).
houdt geen rechtstreeks verband met het doel van de regeling die een verschil in behandeling invoert.
niet in een specifieke situatieten opzichte van mannelijke werknemers, aangezien mannen en vrouwen zich in gelijke situaties bevinden wat de voorwaarden voor beëindiging van de arbeidsverhouding betreft (zie arrest Kleist, reeds aangehaald, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
legitiemis;
passendis om het legitieme doel te bereiken; en
noodzakelijkis om het legitieme doel te bereiken.
doelstelling van sociaal beleidvan de overheid voldaan?
Age Concernheeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat als legitiem zijn aan te merken doelstellingen van
sociaal beleiddie een karakter van algemeen belang hebben:
Rosenbladtuit 2010 overwoog het Hof van Justitie (onderstrepingen toegevoegd; A-G):
verder gaat dan noodzakelijkis voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen en
niet op excessieve wijze afbreuk doetaan de belangen van de werknemers die de leeftijd van 65 jaar bereiken, op welke leeftijd zij uitkering van hun pensioenrechten kunnen verkrijgen, dient deze maatregel in
zijn eigen regelingscontextterug te worden geplaatst en rekening te worden gehouden zowel met
het nadeeldat daaraan kleeft voor de betrokken personen als met
het voordeeldaarvan voor de samenleving in het algemeen en voor de individuen waaruit zij bestaat.” [31]
KLM-
pilotendeze overweging vrijwel woordelijk overgenomen. [32]
Toftgaarduit 2013 werd het noodzakelijkheidscriterium nader verfijnd. Het Hof van Justitie bepaalde dat een individueel onderzoek naar de positie van ontslagen werknemers niet in alle gevallen kan worden gevergd omdat een en ander vanuit technisch en economisch oogpunt beheersbaar moet blijven. [33]
Rosenbladtoverwoog het Hof van Justitie dat de betrokkenheid van sociale partners “
een niet te verwaarlozen flexibiliteit” oplevert aangezien elk van de partijen de overeenkomst eventueel kan opzeggen. [35] De Hoge Raad heeft dit uitgangspunt overgenomen in zijn arrest over de
KLM-piloten. [36]
4.Casuïstiek: leeftijdsdiscriminatie bij ontslagvergoedingen
Onduidelijkheid troef?
facilitering van de overgang naar een nieuwe dienstbetrekking voor oudere werknemers met een aanzienlijk aantal dienstjaren bij dezelfde werkgever.” De uitsluiting van werknemers met een aanspraak op een aanvullend ouderdomspensioen had het doel te garanderen dat “
de werkgevers ontslagen werknemers met veel dienstjaren geen dubbele vergoeding betalen die geen enkel doel op het gebied van werkgelegenheidsbeleid dient.” Met “
dubbele vergoeding” doelde het Hof van Justitie enerzijds op het door de werkgever bekostigde aanvullende ouderdomspensioen en anderzijds op de eveneens door de werkgever te betalen ontslagvergoeding. Deze doelen waren aan te merken als legitieme doelstellingen in de zin van de Richtlijn.
niet kennelijk ongeschikt”) om het door de wetgever nagestreefde legitieme doel op het gebied van het werkgelegenheidsbeleid te bereiken.
De betrokken maatregel heeft weliswaar als legitiem doel te voorkomen dat deze vergoeding ten goede komt aan personen die geen nieuwe dienstbetrekking zoeken, maar een vervangingsinkomen in de vorm van een ouderdomspensioen van een bedrijfspensioenregeling zullen ontvangen,
maar leidt ertoe dat ontslagen werknemers die op de arbeidsmarkt willen blijven, voornoemde vergoeding wordt ontzegd op de enkele grond dat zij met name wegens hun leeftijd over een dergelijk pensioen zouden kunnen beschikken.
dwingen een ouderdomspensioen te accepteren dat lager isdan het pensioen waarop zij aanspraak zouden kunnen maken wanneer zij tot op hogere leeftijd blijven werken, hetgeen voor hen
een aanzienlijk verlies aan inkomsten op de lange duurmeebrengt.”
excessieve inbreuk op de gerechtvaardigde aanspraken”van die werknemers. Omdat de uitsluiting van die werknemers “
verder gaat dan ter bereiking van de met deze bepaling nagestreefde doelstellingen op het gebied van sociale politiek noodzakelijk is” kon de uitsluiting niet worden gerechtvaardigd. [de werknemers] beroepen zich op deze beslissing. [41]
Odardraaide het om een sociaal plan van een Duitse onderneming dat voorzag in twee soorten ontslagvergoedingen. [42] Ontslagen werknemers jonger dan 55 jaar kregen een eenmalige vergoeding, gebaseerd op leeftijd, salaris en lengte van het dienstverband (de standaardformule). Ontslagen werknemers vanaf 55 jaar kregen een (lagere) ontslagvergoeding, gebaseerd op het aantal maanden tot aan de vroegst mogelijke pensioendatum, met dien verstande dat die vergoeding minimaal de helft bedroeg van de vergoeding op basis van de standaardformule (de alternatieve formule). Odar was een werknemer die zwaar gehandicapt was en daarom op zijn 60e in plaats van zijn 65e met pensioen kon. Hij werd echter op zijn 58e naar aanleiding van een reorganisatie ontslagen en kreeg – op basis van de alternatieve regeling voor 55-plussers – een ontslagvergoeding van ruim € 300.000,-- (uitgaande van zijn vroegst mogelijke pensioenleeftijd van 60 jaar). Als Odar ten tijde van zijn ontslag 54 jaar was geweest – en dus in de groep jonger dan 55 jaar had gevallen – had hij op basis van de standaardformule het dubbele ontvangen.
de nadelige gevolgen van de geplande herstructurering voor de werknemers te compenseren of te verzachten.” Met het gemaakte onderscheid naar leeftijd werd “
een doelstelling nagestreefd gebaseerd op de vaststelling dat bepaalde werknemers die geen, of in vergelijking met andere weinig, nadeel zullen ondervinden van het verlies van hun betrekking, in algemene zin van die rechten kunnen worden uitgesloten, nu het gaat om toekomstig economisch nadeel.” Deze doelstellingen zijn legitiem.
zelfs als de vergoeding berekend volgens de alternatieve formule gelijk is aan nul” en (ii) het sociaal plan “
het resultaat is van onderhandelingen tussen vertegenwoordigers van de werknemers en van de werkgevers”, waarbij het “
aan de sociale partners wordt overgelaten om een evenwicht te bepalen tussen hun respectieve belangen”. De werkgever trok dus aan het langste eind. NPX beroept zich op dit arrest. [44]
Andersenen
Odarlijkt er vooral in te zijn gelegen dat Odar daadwerkelijk met pensioen ging en Andersen wilde doorwerken. Een tweede verschil is dat het in
Odarging om een regeling in een sociaal plan en in
Andersenom een wettelijke regeling. Een derde verschil is dat Andersen in het geheel geen recht had op een ontslagvergoeding, terwijl de ontslagvergoeding van Odar ten minste de helft bedroeg van de ontslagvergoeding die werknemers onder de 55 jaar ontvingen en met € 300.000,-- bepaald niet laag was te noemen.
deze vergoeding wordt ontzegd op de enkele grond dat zij, met name wegens hun leeftijd, een dergelijk ouderdomspensioen zouden kunnen ontvangen.
Deze maatregel kan deze ambtenaren dus ertoe verplichten een lager ouderdomspensioen te aanvaardendan dat waarop zij — door tot op latere leeftijd te blijven werken — aanspraak zouden kunnen maken, met name indien zij niet gedurende voldoende jaren bijdragen hebben betaald om recht te hebben op een volledig pensioen.
met minder beperkende maar even passende middelen te bereiken. Dat het wachtgeld enkel ten goede komt aan ambtenaren die daadwerkelijk bereid zijn om een vervangende post te bekleden, kan aldus worden verzekerd met bepalingen die dit wachtgeld voorbehouden aan ambtenaren die tijdelijk afstand hebben gedaan van een ouderdomspensioen teneinde hun beroepsloopbaan voort te zetten, maar waarin maatregelen zijn opgenomen die misbruik bestraffen wanneer deze ambtenaren zouden weigeren om een passende vervangende post te bekleden.”
te verzekeren dat werkgevers ontslagen werknemers met veel dienstjaren geen dubbele vergoeding betalen die geen enkele doel op het gebied van werkgelegenheidsbeleid dient.” Het gekozen middel was passend. Bij de beoordeling of het gemaakte onderscheid verder ging dan noodzakelijk, maakte het Hof van Justitie eerst een vergelijking met de zaak
Andersen.Laatstgenoemde had de pensioengerechtigde leeftijd nog niet bereikt maar Landin wel. Overwogen werd (onderstrepingen toegevoegd; A-G):
De werknemer liep dus inderdaad het risico dat het uitbetaalde bedrag zou worden verlaagd vanwege de vervroegde pensionering.
een verlaging van het uitgekeerde bedrag vanwege de vervroegde pensionering in beginsel geen werknemers betreft die, zoals Landin, 67 jaar oud op de datum van zijn ontslag,
aanspraak kunnen maken op het algemeen ouderdomspensioen.”
Toftgaard, het in
Landinom een eenmalige en qua hoogte relatief beperkte vergoeding ging:
lijkt” de maatregel “
de legitieme belangen van werknemers die de normale pensioenleeftijd hebben bereikt, niet buitensporig aan te tasten.” Ook de noodzakelijkheidstoets werd succesvol doorlopen. Aan deze conclusie kon niet worden afgedaan door de omstandigheid dat een werknemer als Landin zijn pensioen kon verhógen door na de pensioengerechtigde leeftijd te blijven doorwerken. Gelet op deze uitkomst wekt het geen verbazing dat NPX zich op dit arrest beroept. [50]
Rasmussenuit 2016 draaide het om dezelfde Deense ontslagregeling als in
Andersen. [51] Rasmussen was op zijn 60e ontslagen en maakte vervolgens aanspraak op de speciale ontslagvergoeding van drie maandsalarissen. Zijn werkgever weigerde dat omdat Rasmussen ten tijde van zijn ontslag recht had op een – door de werkgever betaald – aanvullend ouderdomspensioen. Het Hof van Justitie overwoog dat het al in
Andersenhad geoordeeld dat de betreffende Deense regeling leeftijdsdiscriminatie oplevert. Dit geldt “
ongeacht of de werknemer ervoor opteert op de arbeidsmarkt te blijven dan wel met pensioen te gaan.”
Stichting Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium(
Stichting NLR). [52] Nadat aanvankelijk de werknemers geboren na 1 januari 1950 zich achtergesteld voelden omdat zij geen VUT-aanspraak (meer) hadden en nadat Stichting NLR had getracht dat op te lossen door de eindejaarsuitkering fors te verhogen, voelde vervolgens de groep werknemers geboren vóór 1 januari 1950 zich benadeeld. Genoemde verhoging gold niet voor hen met als reden dat zij nog een (beperkte) VUT-aanspraak hadden terwijl voor de na 1950 geboren werknemers de VUT-aanspraken volledig waren komen te vervallen. Het Hof Amsterdam oordeelde dat de aangepaste regeling een verboden discriminatie van de werknemers geboren vóór 1950 opleverde. Met name indien deze groep oudere werknemers met beperkte VUT-rechten besluit door te werken en daarom geen gebruik te maken van de VUT, ontvangt de jongere groep zonder VUT-rechten een aanzienlijk hogere beloning door de toekenning van de (verhoogde) eindejaarsuitkering.
in een relevant te achten aspectverschillen. A-G Keus kwam tot de slotsom dat in die zaak de situaties niet vergelijkbaar waren, kort gezegd vanwege het verschil in VUT-aanspraken. [54] Van der Poel merkt in haar annotatie bij het arrest op dat de enkele omstandigheid dat de vóór 1950 geboren werknemers nog (deels) VUT-rechten hadden en jongere werknemers niet, niet meebrengt dat eerstgenoemden in een geheel andere positie verkeren. Dat zij gebruik kunnen maken van de VUT-regeling is geen rechtvaardiging; het aanzienlijk verschil in beloning ontstaat nu juist als deze werknemers daarvan géén gebruik kunnen maken, aldus deze auteur.
X/Diakonessenhuisuitgelaten over de vraag of het met de Wwz ingevoerde art. 7:673 lid 7 onder Pro b BW, dat bepaalt dat pensioengerechtigden geen recht hebben op een transitievergoeding, een verboden leeftijdsdiscriminatie oplevert. [55] Uw Raad oordeelde aan de hand van de trits legitiem belang, passend middel en noodzakelijkheid dat dit niet het geval was. Het feit dat sommige werknemers geen volledige AOW-uitkering hebben opgebouwd, maakt dit volgens de Hoge Raad niet anders. [56] De Hoge Raad overwoog in dat verband – onder verwijzing naar het arrest
Toftgaard– dat er bij leeftijdsontslag wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geen plaats is voor een op het individuele geval gerichte beslissing.
X/Diakonessenhuis,geldt niet zonder meer voor een ontslagvergoeding bij vervoegd pensioen, waar onze zaak over gaat. Ruizeveld stelt in zijn noot bij dit arrest:
Katholieke Scholengroepis niettemin interessant voor de onderhavige zaak in zoverre uw Raad de nieuwe wettelijke regeling van de transitievergoeding daarin vergeleek met de oude regeling op grond van de kantonrechtersformule (onderstreping toegevoegd; AG):
Dit laatste is in lijn met de destijds geldende Aanbeveling 3.5 van de Kring van Kantonrechters, die erin voorzag dat de ontbindingsvergoeding in beginsel niet hoger zou zijn dan de inkomstenderving tot aan de pensioneringsdatum. Een dergelijke afbouwregeling heeft de wetgever voor de transitievergoeding klaarblijkelijk niet gewenst.”
officiële pensioenleeftijden niet, zoals in de onderhavige zaak, de redelijkerwijs te verwachten pensioenleeftijd.
5.De effecten van het Sociaal Plan
kunnenuittreden.”
De VEP wordt administratief opgebouwd om te worden opgenomen na je 65e, maar kan ook eerder worden opgenomen. De achtergrond van de regeling is om het voor werknemers geboren kort na 1950 alsnog mogelijk te maken met prepensioen te gaan.
bovenop het reguliere ouderdomspensioen met (destijds) ingangsdatum 65 kan komen. Het karakter en doel van de VEP-regeling bleef echter vroegpensioen: vroegpensioen kon immers worden gerealiseerd door deze extra opgebouwde aanspraken “naar voren te halen” (door het pensioen eerder te laten ingaan) en zo daadwerkelijk eerder te stoppen met werken.”
anderevergelijking, te weten tussen twee groepen ontslagen werknemers. Hier: werknemers voor wie een pensioneringsleeftijd van 62 jaar wordt gehanteerd en werknemers voor wie de (officiële) pensioenleeftijd van 65 jaar wordt aangehouden.
nietmet 62 jaar met pensioen zijn gegaan. Ten tweede kunnen de werknemers die na 1952 zijn geboren hun aanspraak op het VEP wél cumuleren met een ontslagvergoeding, zij het dat het VEP voor hen lager is.
niette kiezen voor vervroegde pensionering met 62 jaar, een pensioendatum van 65 jaar wordt gehanteerd; (b) deze werknemers aanspraak maken op een ontslagvergoeding van maximaal het bedrag aan salarisderving tot die leeftijd; en (c) op de ontslagvergoeding een bedrag in mindering komt ter grootte van het bedrag aan VEP waarop een werknemer tot het 65e jaar aanspraak zou hebben gemaakt indien was gekozen voor pensionering met 62 jaar. [68]
énvervolgens hun volledige onvoorwaardelijke VEP te ontvangen in de vorm van een extra ouderdomspensioen. Zij genieten de VEP-aanspraken aldus
uitgesteld, want: niet in de vorm van vroegpensioen, maar in de vorm van een verhoging van het levenslange ouderdomspensioen. Deze werknemers ontvangen echter
actuarieel exact hetzelfde bedrag.”
6.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
indien het van oordeel isdat het niet relevant is of sprake is van vergelijkbare gevallen om te kunnen bepalen of zich een onderscheid naar leeftijd voordoet. [73] Ter onderbouwing van die klacht stelt NXP dat zij in hoger beroep heeft betoogd dat sprake is van onvergelijkbare gevallen. Het verschil zit volgens NXP met name in het feit dat [de werknemers] een onvoorwaardelijke (in plaats van voorwaardelijke) aanspraak hebben op het VEP. Bovendien is dat extra pensioen gebaseerd op de oude vroegpensioenregeling TOP-SUM en niet op de “
veel lagere” TOP-SUMO-regeling.
KLM-pilotenvan ‘fluïde groepen’: wie nu oud is was eens jong. [77] Dat klopt, maar ik zou daar toch niet zonder meer de conclusie aan willen verbinden dat jong en oud daarom niet vergelijkbaar zouden zijn, met als consequentie dat een leeftijdsonderscheid om die reden niet een verboden onderscheid kan opleveren. Op die manier wordt de vraag of twee situaties vergelijkbaar zijn te gemakkelijk weggeredeneerd. Veeleer dient een momentopname te worden gemaakt. Als blijkt dat op grond van leeftijd een verschil in behandeling plaatsvindt tussen werknemers die worden geconfronteerd met ontslag, moet voor dat verschil in behandeling een objectieve rechtvaardiging worden gegeven. [78]
Stichting NLR. [79] Deze benaderingswijze heeft in mijn ogen als bezwaar dat zij kan leiden tot rekenkundige exercities om te kunnen vaststellen of het nadeel van een afgetopte ontslagvergoeding (precies) wordt opgeheven door een extra pensioenuitkering. De objectieve rechtvaardigingstoets biedt een ruimer kader om de noodzakelijke afweging tussen voor- en nadelen te maken.
7.Bespreking van het principaal cassatieberoep
legitiem doelhet dient dat het Sociaal Plan met betrekking tot de ontslagvergoeding
onderscheidmaakt tussen werknemers uit 1950-1952 (hogere en zekere VEP, lagere of geen ontslagvergoeding) en werknemers uit 1953-1972 (lagere en onzekere VEP, hogere ontslagvergoeding). Omdat het hof dát heeft nagelaten, heeft het niet goed kunnen toetsen of genoemd onderscheid
noodzakelijkis. Ik denk daarom dat het eindoordeel over moet en dat de zaak moet worden verwezen.
Odar-arrest heeft overwogen dat sociale partners op nationaal niveau over een ruime beoordelingsmarge beschikken, niet alleen bij de keuze van een doelstelling van sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid die zij specifiek willen nastreven, maar ook bij het bepalen van de maatregelen waarmee deze doelstelling kan worden verwezenlijkt. [81] Dit uitgangspunt is bevestigd in de arresten
Toftgaarden
Landin. [82] Ook de Hoge Raad hanteert dit uitgangspunt in zijn prejudiciële beslissing in de zaak
X/Diakonessenhuis. [83]
redelijkerwijs te verwachten pensioneringsdatum” van Aanbeveling 3.5 en (ii) [de werknemers] dit gestelde doel als zodanig evenmin hebben betwist. [86]
de realiteit te volgen”. [87] Volgens haar bestond die “
realiteit” uit twee aspecten: (i) alleen de werknemers geboren in de jaren 1950-1952 hadden aanspraak op een onvoorwaardelijk VEP gebaseerd op TOP-SUM en (ii) uitzonderingen daargelaten, gingen werknemers van NXP ook daadwerkelijk vóór of bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar met (vroeg)pensioen.
een fictie, kennelijk gebaseerd op een praktijkgemiddelde.
Daarbij wordt bovendien geen rekening gehouden met de feitelijke hoogte van de VEP-aanspraken. In het Sociaal Plan wordt geen rekening gehouden met de omstandigheid dat er onvoldoende VEP is opgebouwd en dat de uitkering ontoereikend is.” [de werknemers] hebben gemotiveerd gesteld dat zij door het gemaakte onderscheid “
aanzienlijk slechter” af zijn dan hun jongere ontslagen collega’s en dat zij, als zij niet boventallig waren verklaard, bij NXP zouden hebben doorgewerkt. [89] Ik wijs er nogmaals op dat [werknemer c] , [werknemer d] en [werknemer e] op de ontslagdatum 62 of ouder waren en dus klaarblijkelijk niet met hun 62e met pensioen waren gegaan.
in de maximeringsregeling gemaakte onderscheid(tussen werknemers geboren in de jaren 1950-1952 en werknemers geboren vanaf 1953) een
legitiem doel van sociaal beleidin de zin van art. 7 lid Pro 1, aanhef en onder c, WGBLA ten grondslag ligt. Dit heeft het hof nagelaten. Het feit dat de gewraakte regeling als geheel invulling geeft aan Aanbeveling 3.5 van de Kantonrechtersformule, zoals destijds geldend, en onderdeel uitmaakt van een sociaal plan dat door de vakbonden is goedgekeurd betekent op zichzelf, anders dan het hof in rov. 5.7 oordeelt, niet dat het legitieme doel daarmee is gegeven (zie ook hiervoor, 3.32-3.34). Dat zegt immers niets over de vraag of het een legitiem doel dient dat in de maximeringsregeling onderscheid wordt gemaakt tussen werknemers die zijn geboren in de jaren 1950-1952 en werknemers die daarna zijn geboren. Het oordeel dat de maximeringsregeling een legitiem doel nastreeft, is om die reden ontoereikend gemotiveerd.
Rosenbladtnader ingekleurd wanneer een middel als noodzakelijk kan worden aangemerkt. Het heeft bepaald dat de nationale rechter moet onderzoeken of de maatregel (i) verder gaat dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen én (ii) niet op excessieve wijze afbreuk doet aan de belangen van de werknemers waar de maatregel op ziet. Daarbij moet rekening worden gehouden met (a) het nadeel dat aan de maatregel kleeft voor de betrokken personen en (b) het voordeel van de maatregel voor de samenleving in het algemeen en de individuen waaruit zij bestaat. Een en ander impliceert klaarblijkelijk een belangenafweging.
redelijkerwijs te verwachten pensioneringsdatum” uit Aanbeveling 3.5 en dat [de werknemers] zich – gelet op die collectiviteit – niet op een (individuele) latere pensioneringsdatum kunnen beroepen. Hier wreekt zich dat het hof het legitieme doel van het als gevolg van de maximeringsregeling aangebrachte onderscheidt heeft aangeduid in termen van, kort gezegd, collectiviteit en niet een achterliggend doel van sociaal beleid heeft benoemd. Daardoor lijkt het gekozen middel – het met de maximeringsregeling gemaakte onderscheid naar leeftijd door twee verschillende uittredingsrichtdata te hanteren – samen te vallen met het doel. Daardoor kan niet naar behoren een doel-middel-toets worden uitgevoerd, zodat ook niet kan worden vastgesteld of voldaan is aan het noodzakelijkheidscriterium. Zo bezien is sprake van een “
té terughoudende” toetsing, zoals het onderdeel niet ten onrechte stelt.
Andersenen
Toftgaardonjuist heeft uitgelegd en (ii) heeft miskend dat de terughoudende toetsing niet zóver mag gaan dat een collectieve regeling die de noodzakelijkheidstoets niet doorstaat, toch in stand wordt gehouden. [92]
Andersenen
Toftgaardde (strakke) rechtsregel zou volgen dat een regeling niet als noodzakelijk kan worden aangemerkt indien de ontslagvergoeding van een werknemer is gemaximeerd in verband met het bereiken van een bepaalde leeftijd op de grond dat die werknemer de mogelijkheid heeft om op die leeftijd met (vroeg)pensioen te gaan, als daarbij geen rekening wordt gehouden met het feit dat die oudere werknemer er ook voor kan kiezen om
nietmet (vroeg)pensioen te gaan.
Andersenen
Toftgaardniet is af te leiden (zie hiervoor, 4.5 e.v. en 4.15 e.v.). Bovendien ligt aan
Andersenen
Toftgaardeen ander feitencomplex ten grondslag. Anders dan het onderdeel ingang wil doen vinden, ging het in
Andersenen
Toftgaardniet om maximering c.q. aftopping van een ontslagvergoeding tot aan de redelijkerwijs te verwachten pensioendatum (zoals in de onderhavige zaak), maar om de vraag of überhaupt recht bestond op een ontslagvergoeding als de betreffende werknemer ook aanspraak kon maken op een ouderdomspensioen. Een ander, maar m.i. niet doorslaggevend, feitelijk verschil is dat het in
Andersenen
Toftgaardging om een wettelijke regeling en in de onderhavige zaak om een sociaal plan.
geen enkele – dus ook geen eenvoudige – individuele toetsing ‘past’”. [93] In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag in het bestreden arrest. Het hof heeft overwogen dat in het algemeen niet kan worden geëist dat elk geval afzonderlijk wordt onderzocht om te bepalen wat het best aan de specifieke behoefte van de individuele werknemer beantwoordt. Dit is in lijn met het arrest
Toftgaard [94] en getuigt m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting.
NXP bestrijdt een en ander gemotiveerd.” Volgens het onderdeel lijkt het hof hier te miskennen dat de stelplicht en bewijslast van de objectieve rechtvaardiging op NXP rust. [95] Deze miskenning werkt volgens het onderdeel door in rov. 5.11. [96]
nietnoodzakelijk is. Vereist is evenwel dat NPX, als de partij op wie de stelplicht en bewijslast rust, gelet op wat [de werknemers] hebben aangevoerd aantoont dat het maken van genoemd onderscheid wél noodzakelijk is. Het hof lijkt aldus het bewijsrisico ten aanzien van de noodzakelijkheid ten onrechte bij [de werknemers] te hebben gelegd. Hiermee heeft het hof de rechtsregel in art. 12 WGBLA Pro inzake de bewijslastverdeling miskend.
nietmet vroegpensioen te gaan. [97]
indien hun baan niet was vervallen door reorganisatie” tot het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd bij NXP zouden hebben doorgewerkt.
doorklinken” bij de behandeling van de subsidiaire en meer subsidiaire stellingen van [de werknemers] Deze klacht faalt. In de niet bestreden rov. 5.13-5.19 worden immers andere toetsen aangelegd, te weten de toets van art. 6:248 lid 2 BW Pro (beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid), art. 7:611 BW Pro (goed werkgeverschap) en art. 7:681 lid Pro 2, aanhef en onder b, (oud) BW (kennelijk onredelijk ontslag). Overigens is ook niet toegelicht op welke wijze en in hoeverre de bestreden rov. 5.6, 5.7, 5.10 en 5.11 in de subsidiaire en meer subsidiaire stellingen van [de werknemers] zouden kunnen ‘doorklinken’.