Uitspraak
wonende te [woonplaats] , Zwitserland ,
(Ministerie van Economische Zaken),
zetelende te Den Haag,
wonende te [woonplaats] , België ,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
- i) Bij Koninklijk Besluit van 14 november 2014, nr. 2014002189 (Stcrt. 12 december 2014, nr. 34042) (hierna: het Koninklijk Besluit), zijn ten behoeve van de uitvoering van het rijksinpassingsplan “Hertogin Hedwigepolder” (hierna: het rijksinpassingsplan) ten name van de Staat een aantal onroerende zaken ter onteigening aangewezen. Het betreft onder meer negentien aan [eiser] in eigendom toebehorende percelen, met een totale oppervlakte van ruim 305 hectare, gelegen in de gemeente Hulst (Zeeuws-Vlaanderen). Het rijksinpassingsplan voorziet in ontpoldering van de Hedwigepolder.
- ii) Het merendeel van de aan [eiser] in eigendom toebehorende percelen is verpacht. De Staat heeft met de meeste pachters overeenstemming bereikt over de aan hen toekomende schadeloosstelling in verband met de onteigening. Met [eiser] en pachter [verweerder 2] is geen overeenstemming bereikt.
- iii) Het rijksinpassingsplan is op 10 februari 2014 vastgesteld door de staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de Staatssecretaris) en de minister van Infrastructuur en Milieu (Stcrt. 19 februari 2014, nr. 4751) en is door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4074) onherroepelijk geworden.
De onteigeningsrechter is bevoegd het onteigeningsbesluit inhoudelijk te toetsen, als de stellingen van de te onteigenen partij daartoe aanleiding geven. Daarbij dient de rechter de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit te toetsen en wel in beginsel naar de situatie ten tijde van het besluit (ex tunc). In beginsel is voorwaarde voor een dergelijke toetsing dat de te onteigenen partij haar bezwaren al in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande administratieve procedure heeft kenbaar gemaakt. Een uitzondering hierop is aan de orde wanneer hetgeen de onteigende aanvoert, meebrengt dat de onteigening in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij in strijd is met het recht, omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt, of omdat ten gevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een aan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering daarvan. De burgerlijke rechter dient zich evenwel te beperken tot een marginale toetsing van het onteigeningsbesluit. De toetsing zal zich beperken tot de vraag of de Kroon bij afweging van de wederzijdse belangen in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat onteigend dient te worden.
Onjuiste beoordeling beroep op zelfrealisatie
4.Beslissing
5 januari 2018.