Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
15 mei 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 juli 2016, waarin hij werd veroordeeld voor (poging tot) diefstal bij bankfilialen. Het cassatieberoep richt zich onder meer op de beoordeling van het medeplegen en de bewijsklachten daaromtrent.
Namens verdachte heeft advocaat R.J. Baumgardt een middel van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat nadere motivering niet nodig is, omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink. Het beroep wordt verworpen, waarmee de uitspraak van het gerechtshof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, het arrest van het gerechtshof blijft in stand.