ECLI:NL:PHR:2018:451

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2018
Publicatiedatum
15 mei 2018
Zaaknummer
16/03963
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 26 lid 1 WWMArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging medeplegen bij pogingen tot diefstal in bankfilialen

Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor meerdere feiten van diefstal en poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, gepleegd in bankfilialen door middel van braak. Tevens werd verdachte veroordeeld voor het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie.

De bewezenverklaringen betreffen drie afzonderlijke feiten waarbij verdachte samen met drie medeverdachten met twee auto's naar de locaties reed, inbraken pleegde en geldbedragen wegnam. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder camerabeelden, peilbakengegevens, stortingen op rekeningen en modus operandi.

In cassatie werd aangevoerd dat het medeplegen niet voldoende uit de bewijsmiddelen zou blijken, met name omdat niet alle uitvoeringshandelingen door verdachte zouden zijn verricht en de aanwezigheid in dezelfde auto niet op hetzelfde tijdstip was. De Hoge Raad oordeelde dat medeplegen niet vereist dat alle daders alle handelingen verrichten, maar dat sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een bijdrage van voldoende gewicht.

De Hoge Raad concludeerde dat het hof voldoende en niet onbegrijpelijk gemotiveerd heeft vastgesteld dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met mededaders, en dat het cassatieberoep daarom faalt. Het arrest bevestigt de criteria voor medeplegen en de wijze waarop bewijs daarvoor kan worden beoordeeld.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; bevestiging medeplegen en twaalf maanden gevangenisstraf.

Conclusie

Nr. 16/03963
Zitting: 20 maart 2018
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 26 juli 2016, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank van 10 december 2014, de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd”, het onder 3 bewezenverklaarde “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” en het onder 4 bewezenverklaarde “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij ABN AMRO geheel en van [A] B.V. gedeeltelijk toegewezen en een daarmee overeenkomende schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het bestreden arrest vermeld.
Er bestaat samenhang met de zaken 16/03980, 16/04436 en 17/01023. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middel
4.1. Het middel klaagt dat het medeplegen wat betreft de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde (poging tot) diefstallen niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
4.2. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 tot en met 3 bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 17 mei 2013 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke
toe-eigeninguit een muntenautomaat heeft weggenomen een geldbedrag (6.359,20 euro), toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;
2.
hij op 13 mei te Harderwijk tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke
toe-eigeninguit muntenautomaten heeft weggenomen een geldbedrag (6.566,55 euro), toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak
3.
hij op 27 mei 2013 te Oosterhout ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een bank weg te nemen geld, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot die bank te verschaffen en dat weg te nemen geld onder hun bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededaders, met voornoemd oogmerk,
- met een breekijzer een deur heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
4.3. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof ten aanzien van de onder 1 tot en met 3 bewezenverklaarde feiten, voor zover van belang, het volgende overwogen:
“De Skoda Fabia, gekentekend [AA-00-BB] , staat op naam van de moeder van de verdachte [medeverdachte 1] .
De Volkswagen Polo, gekentekend [CC-00-DD] , staat op naam van de moeder van de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ).”
4.4. Het hof heeft de bewezenverklaring van feit 1 gegrond op de feiten en omstandigheden die blijken uit de onder 6 tot en met 13 in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen, alsmede op de inhoud van de daarin onder 5 overgenomen bewijsmiddelen uit het vonnis waarvan beroep. [1] Voorts heeft het hof de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:
“Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte en de drie medeverdachten met twee verschillende auto's (de Skoda Fabia en de Volkswagen Polo) naar Rijen zijn gereden. Na de inbraak, omstreeks 04.22 uur, is gezien dat er in de Skoda Fabia ten minste drie personen zaten. Uit peilbakengegevens blijkt dat de Skoda Fabia vervolgens stil heeft gestaan nabij de woningen van alle verdachten, dan wel in de nabije omgeving van die woningen heeft gereden. Op basis hiervan gaat het hof ervan uit dat alle vier de verdachten inzittende waren van de Skoda Fabia, op het moment dat deze na de inbraak van Rijen naar Tilburg reed.”
4.5. Het hof heeft de bewezenverklaring van feit 2 gegrond op de feiten en omstandigheden die blijken uit de onder 15 tot en met 17 in de bijlage de bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen, alsmede op de inhoud van de daarin onder 14 overgenomen bewijsmiddelen uit het vonnis waarvan beroep. [2] Voorts heeft het hof de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:
“Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat het bedrag aan muntgeld dat op de dag van de inbraak op de rekening van de verdachte [medeverdachte 1] is gestort ongeveer één vierde deel betreft van het bij de inbraak in Harderwijk weggenomen muntgeld. Ook het bedrag aan muntgeld dat een dag na de inbraak is gestort op de rekening van de moeder van de verdachten [medeverdachte 2 en 3] betreft ongeveer één vierde deel van het weggenomen muntgeld. Mede op basis hiervan gaat het hof ervan uit dat één van de beide verdachten [medeverdachte 2 en 3] de buit in bewaring aan zijn moeder heeft gegeven en dat de inbraak gelet op de verdeling van de buit door vieren ook door vier personen is gepleegd.
Het hof stelt voorts vast dat bij de onder 2 ten laste gelegde inbraak een werkwijze is gevolgd die opvallende gelijkenissen vertoont met de werkwijze die is gevolgd bij de onder 1 ten laste gelegde inbraak. Daarmee is er sprake van een overeenkomende modus operandi (bestaande uit het kraken van (een) muntenautoma(a)t(en) in een ABN-AMRO-filiaal, althans het aldaar buitmaken van (ook) (brief)geld). Daarnaast is het hof van oordeel dat de betrokkenheid van alle vier verdachten bij de onder 2 ten laste gelegde inbraak voldoende blijkt uit de door het hof gehanteerde bewijsmiddelen.
Gelet op het vorenstaande en alles afwegende gaat het hof ervan uit dat de onder 2 ten laste gelegde inbraak net als de onder 1 ten laste gelegde inbraak is gepleegd door de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] . Het hof acht een andere samenstelling van de groep niet aannemelijk.”
4.6. De bewezenverklaring van feit 3 is door het hof gegrond op de feiten en omstandigheden die blijken uit de onder 18 tot en met 21 in de bijlage de bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen, alsmede op de inhoud van de daarin onder 18 overgenomen bewijsmiddelen uit het vonnis waarvan beroep. [3] Voorts heeft het hof ten aanzien dit feit de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:
“Op basis van de camerabeelden bedoeld in bewijsmiddel 18 van het vonnis waarvan beroep en de aankoop van 4 flesjes drinken door een van de verdachten stelt het hof vast dat de onder 3 ten laste gelegde poging tot inbraak is gepleegd door vier personen.
De bewijsmiddelen betreffende voorts meer in het bijzonder het opvallende jack van [medeverdachte 3] en de blauwe schoenen van [medeverdachte 1] wijzen op in ieder geval hun betrokkenheid. Uit bewijsmiddel 19 van het vonnis waarvan beroep blijkt voorts dat de Volkswagen Polo vóór de poging tot inbraak van de [a-straat] (het woon- respectievelijk verblijfadres van de verdachten [medeverdachte 2 en 3] ) naar de [b-straat] (het verblijfadres van de verdachte [verdachte] ) is gereden, en vandaar naar Oosterhout, waar de poging tot inbraak plaatsvond. Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof tot de conclusie dat de andere twee daders [medeverdachte 2] en de verdachte [verdachte] zijn geweest. Het hof acht een andere samenstelling van de groep, die overeenkomt met de dadergroep van de onder 1 ten laste gelegde inbraak, niet aannemelijk.
4.7. Tot slot heeft het hof een algemene overweging ten aanzien van de onder 1 tot en met 3 bewezenverklaarde feiten opgenomen:
“Op basis van de inhoud van de door het hof gehanteerde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat - anders dan door de verdediging is gesteld - met betrekking tot de onder 1 tot en met 3 bewezen verklaarde feiten een voldoende nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan tussen de verschillende verdachten, zodat van medeplegen kan worden gesproken, althans van tezamen en in vereniging begane feiten als bedoeld in art. 311 lid 1 sub Pro 4 Wetboek van Strafrecht.”
4.8. Voor medeplegen is vereist dat kan worden gesproken van bewuste en nauwe samenwerking. [4] Niet vereist is dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen verrichten en evenmin dat in een bewezenverklaring naar aanleiding van een op medeplegen toegespitste tenlastelegging wordt vermeld of en zo ja welke feitelijke handelingen door een verdachte dan wel zijn mededader(s) zijn verricht. Wel moet de samenwerking intensief zijn, om medeplegen te kunnen onderscheiden van medeplichtigheid. [5] De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is, hetgeen op vergelijkbare wijze geldt indien medeplegen als bestanddeel, bijvoorbeeld “in vereniging”, is opgenomen in de delictsomschrijving. [6] De vraag wanneer sprake is van een samenwerking die zo nauw en bewust is geweest dat gesproken kan worden van medeplegen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden en vergt een beoordeling van het concrete geval. De toetsing in cassatie wordt sterk gekleurd door de bewijsvoering van de feitenrechter en diens eventuele nadere motivering op de kwalificatie medeplegen. [7] Met name in situaties waarin het medeplegen niet, zoals in de regel, wordt geleverd in de vorm van gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, als wel in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit, dient de bewijsvoering aandacht te besteden aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken. In het bijzonder dient aandacht uit te gaan naar de bijdrage van de verdachte en in hoeverre deze van voldoende gewicht is geweest om die kwalificatie te rechtvaardigen. [8]
4.9. De steller van het middel komt met verschillende klachten op tegen het onder de genoemde feiten 1 tot en met 3 bewezenverklaarde medeplegen. Het middel klaagt in het bijzonder dat uit de door het hof gehanteerde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte dermate nauw en volledig met de medeverdachten heeft samengewerkt dat er sprake is van medeplegen. In de toelichting voert de steller allereerst ten aanzien van feit 1 aan dat de auto die korte tijd heeft stilgestaan bij het ABN AMRO filiaal en waarin tenminste drie personen zijn gesignaleerd, een andere betreft dan waar de verdachte zich eerder in bevond. Dat gegeven maakt de bewijsconstructie van het hof echter niet onbegrijpelijk, aangezien de vier verdachten verdeeld over twee kort op elkaar rijdende auto’s op weg waren gegaan naar de ‘plaats delict’ en niet gezegd kan worden dat dit voor de terugweg net zo zou moeten gelden. Voorts is door het hof vastgesteld dat de verdachte is herkend op de camerabeelden van de betreffende diefstal, waaruit de bijdrage van verdachte aan de gemeenschappelijke uitvoering van het betreffende delict reeds kan volgen. [9] Dan wordt nog aangevoerd dat het verweer dat ten aanzien van feit 1 is gevoerd, inhoudend dat uit de camerabeelden blijkt dat de diefstal door twee personen is gepleegd, eveneens voor feit 2 geldt. Daarmee miskent de steller van het middel dat bij medeplegen niet is vereist dat de uitvoeringshandelingen van het delict door alle mededaders zijn verricht. Tenslotte wordt in het middel gewezen op het feit dat het aantreffen van de vier verdachten tezamen in één auto in Harderwijk, op een latere datum heeft plaatsgevonden dan de onder 2 bewezenverklaarde diefstal op 13 mei 2013 in diezelfde plaats. Echter, kennelijk heeft het hof het betreffende bewijsmiddel 52 uit de bijlage bij het vonnis waarvan beroep, gebezigd omdat daaruit de betrokkenheid van verdachte bij tenminste de voorbereiding van het delict blijkt. In die auto is immers een briefje aangetroffen met daarop vier adressen van filialen c.q. pinautomaten van de ABN AMRO bank, waaronder het filiaal in Harderwijk waar de onder 2 tenlastegelegde inbraak heeft plaatsgevonden. [10] Redengevend voor de bewezenverklaring is dat bewijsmiddel dus wel. De klachten in het middel, die grotendeels voorbijgaan aan de aard van de cassatieprocedure, gaan niet op.
4.10. Het oordeel van het hof dat de bijdrage van de verdachte aan de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 van voldoende gewicht is en dat derhalve sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders, geeft gelet op het voorgaande geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld ten aanzien van de bijdrage van de verdachte in de vorm van verscheidene gedragingen voorafgaand en tijdens het bewezenverklaarde feit, niet ontoereikend gemotiveerd.
4.11. Het middel faalt en kan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Verwezen wordt naar de bij het vonnis opgenomen processen-verbaal met nummers 1 tot en met 4, 6 en 8 tot en met 11.
2.Verwezen wordt naar de bij het vonnis opgenomen processen-verbaal met nummers 12 tot en met 16 en 52.
3.Verwezen wordt naar de bij het vonnis opgenomen processen-verbaal met nummers 17 tot en met 19.
4.HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, rov. 2.3.
5.HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, rov. 3.4.
6.HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, rov. 3.2.1; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, rov. 3.2.2.
7.HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1321.
8.HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, rov. 3.2.3, zie ook HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2799, rov. 3.3 en 3.5.
9.Zie de vaststelling van het hof in de bijlage inhoudende de bewijsmiddelen onder 5 bij verwijzing naar bewijsmiddel 8, in samenhang met 3, in de bijlage bij het vonnis waarvan beroep.
10.Zie de vaststelling van het hof in de bijlage inhoudende de bewijsmiddelen onder 14 waarin verwezen is naar bewijsmiddel 52 in de bijlage bij het vonnis waarvan beroep.