Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
15 mei 2018.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. In hoger beroep was geen afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman van de verdachte verzonden, terwijl wel een appelschriftuur was ingediend. Noch verdachte noch zijn raadsman waren aanwezig bij de terechtzitting in hoger beroep.
De Hoge Raad overwoog dat het voorschrift van artikel 51 (oud) Sv, thans artikel 48 Sv Pro, dat vereist dat een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman wordt gezonden, niet was nageleefd. Dit voorschrift is van groot belang voor de belangen van de verdachte. De niet-nakoming ervan verhindert een geldige behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van verdachte en diens raadsman.
Daarom oordeelde de Hoge Raad dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het gerechtshof voor een nieuwe berechting en beslissing op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.