Uitspraak
1.De bestreden uitspraak
2.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling het tweede middel
5.Beoordeling van het derde middel
6.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
8.Beslissing
29 mei 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een incident waarbij verdachte drie American Staffordshire-honden onaangelijnd uitliet, waarna deze een Hazewindhond meerdere malen beten, wat leidde tot ernstige verwondingen en euthanasie van de Hazewindhond.
Het hof verklaarde verdachte schuldig aan het niet voldoende zorgdragen voor het onschadelijk houden van gevaarlijke dieren en het opzettelijk beschadigen van een dier van een ander. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, en verbeurdverklaring van de honden.
In cassatie werd onder meer betwist of de honden als 'gevaarlijk dier' in de zin van art. 425 Sr Pro konden worden aangemerkt en of sprake was van voorwaardelijk opzet. De Hoge Raad oordeelde dat ook dieren die gevaarlijk zijn voor andere dieren, en niet alleen voor mensen, onder deze bepaling vallen. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn honden de Hazewindhond zouden bijten, gelet op eerdere incidenten en risico-assessments.
De Hoge Raad vernietigde de strafoplegging slechts voor wat betreft de hoogte van de taakstraf en hechtenis wegens overschrijding van de redelijke termijn, en matigde deze. Het beroep werd verder verworpen.
Uitkomst: De taakstraf werd gematigd tot 114 uur en de hechtenis tot 57 dagen, met bevestiging van de veroordeling voor onvoldoende zorg en beschadiging van een hond.