Conclusie
eerstemiddel klaagt dat het hof het onder 1 bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als ‘onvoldoende zorg dragen voor een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier, meermalen gepleegd’. Het hof zou, zo begrijp ik, het bewezenverklaarde ten onrechte als de overtreding van art. 425 onder Pro 2ᵒ Sr hebben gekwalificeerd, omdat in de door het hof daaraan gegeven kwalificatie ontbreekt dat sprake dient te zijn van een onvoldoende zorgplicht voor het onschadelijk houden van een dier.
tweedemiddel klaagt over de bewezenverklaring van feit 1. De verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudend dat (kort gezegd) geen sprake is van een gevaarlijk dier, zou van een onjuiste rechtsopvatting getuigen en ontoereikend gemotiveerd zijn.
(BFK: geen)sprake van een gevaarlijk dier in de zin van art 425 Sr Pro.
NJ1992/571 ging het om een pitbullterriër die bij de voetbalvereniging HFC één of meer ballen stuk zou hebben gebeten. De rechtbank sprak de verdachte vrij ‘aangezien van enig geconcretiseerd gevaar voor mens of dier geen sprake is’. De Hoge Raad meende dat de rechtbank de grondslag van de tenlastelegging had verlaten aangezien ‘ook een hond die zich niet op de door de rechtbank bedoelde wijze heeft gedragen, maar waarvan op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert welke voormelde wetsbepaling in het algemeen heeft willen voorkomen, als gevaarlijk in de zin van die bepaling moet worden aangemerkt’. Het gaat derhalve om gevaren welke deze strafbepaling ‘in het algemeen heeft willen voorkomen’; dat behoeven niet enkel gevaren voor mensen te zijn.
NJ2016/43. Daarin ging het om een Amerikaanse Staffordshire die een chihuahua had doodgebeten. Het hof had vastgesteld dat er een aanmerkelijk risico was dat de betreffende hond ‘zonder voorzorgsmaatregelen gevaarlijk voor personen en/of andere dieren kon zijn en derhalve als ‘gevaarlijk’ in de zin van artikel 425 van Pro het wetboek moet worden aangemerkt’. De Hoge Raad overwoog vervolgens dat het oordeel van het hof ‘dat de hond reeds vóór de overtreding gevaarlijk voor personen kon zijn en derhalve een gevaarlijk dier in de zin van art. 425, aanhef en onder 2ᵒ, Sr is’ niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. Deze overweging kan voedsel geven aan de gedachte dat deze strafbepaling slechts van toepassing is als vaststaat dat een dier gevaarlijk is voor mensen. De bredere formulering van het hof (gevaarlijk voor personen en/of andere dieren) werd door de Hoge Raad zonder duidelijke aanleiding beperkt tot personen. Tegelijk geven de bewijsmiddelen waar het hof zijn oordeel volgens de Hoge Raad op kon baseren geen aanleiding tot deze inperking. In die bewijsmiddelen wordt slechts gesproken over eerdere conflictsituaties met andere honden.
NJ2010/378. In dat arrest was sprake van een hond die (samen met een andere hond) twee personen had aangevallen en respectievelijk in een schoen en (meermalen) in een onderbeen had gebeten. Ten aanzien van de hond die in de tenlastelegging werd genoemd overwoog het hof dat zij ‘gevaarlijk voor personen kan zijn en derhalve als gevaarlijk in de zin van artikel 425 van Pro het Wetboek van Strafrecht moet worden aangemerkt’. De Hoge Raad stelde vervolgens vast dat het oordeel van het hof ‘dat de hond reeds vóór de overtreding gevaarlijk voor personen kon zijn en derhalve een gevaarlijk dier in de zin van art. 425, aanhef en onder 2ᵒ, Sr is’ geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend gemotiveerd was. Mogelijk heeft de Hoge Raad tegen de achtergrond van deze overweging ook in het arrest uit 2015 een overweging geformuleerd die slechts aan gevaar voor personen refereert. Als dat het geval is, en daar ga ik van uit, vormt die rechtsoverweging geen aanleiding om aan te nemen dat Uw Raad van oordeel is dat de gevaren die art. 425 Sr Pro heeft willen voorkomen heden ten dage enkel gevaren voor personen zijn.
derdemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 2.
(BFK: dat)er lucht onder de huid in het lichaam van mijn hond zat. Daarbij had hij nog diverse bijtwonden en was het onbekend wat er verder in het lichaam van mijn hond beschadigd was. Hierop heb ik besloten om mijn hond te laten inslapen, omdat hij erg veel pijn had en het onzeker was dat hij het zou redden na een zware operatie.
(BFK: poten?). Volgens mij had mijn hond die van haar in haar oor vast maar volgens mij niet in zijn gezicht of zo.
(BFK: zijn).
(BFK: die)omstandigheden is geen sprake van een willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans. Er is daarom geen opzet en [verdachte] zou moeten worden vrijgesproken van dit feit.’
NJ2003/552 m.nt. Buruma (HIV-I). Deze eis leidde in dat arrest tot cassatie. Dat was ook het geval in de volgende HIV-arresten. [13] Ook in andere situaties heeft deze eis wel tot cassatie geleid. Voorbeelden zijn onder meer te vinden bij veroordelingen wegens poging tot doodslag in het verkeer. In HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2075,
NJ2016/423 had de verdachte zijn auto tijdens een achtervolging door de politie eerst zodanig naar rechts gestuurd dat een verbalisant krachtig had moeten remmen om een aanrijding met de verdachte te voorkomen. Kort daarna had de verdachte wederom naar rechts gestuurd; de auto van de verdachte was daarbij tegen het dienstvoertuig blijven aandrukken waardoor dit uit zijn rechte lijn raakte en uiteindelijk in de berm belandde. Uw Raad oordeelde dat het in de bewezenverklaring omschreven opzet op het van het leven beroven van de verbalisanten die zich in het dienstvoertuig bevonden niet zonder meer uit de bewijsvoering kon worden afgeleid. Daarbij nam Uw Raad mede in aanmerking dat het hof in zijn nadere bewijsoverweging ten aanzien van de eerste stuurbeweging niets had vastgesteld waaruit kon volgen dat en in welke mate een ongeval met dodelijke afloop waarschijnlijk was, terwijl dit evenmin zonder meer kon volgen uit de ten aanzien van de tweede stuurbeweging vastgestelde omstandigheden waaronder de auto van de verdachte in aanraking was gekomen met het dienstvoertuig.
serieuzekans is dat de hond schade zal aanrichten, behoeft dat nog niet een naar algemene ervaringsregels
aanmerkelijk te achtenkans te zijn. [14] Er zijn ook goede redenen om beide kansen verschillend te benaderen. Een waakhond die voorbijgangers negenhonderdennegenennegentig van de duizend keer met rust laat, is gevaarlijk ook als hij, onvoorspelbaar, één op de duizend voorbijgangers gemeen toetakelt. Dat staat los van de vraag of de duizendste voorbijganger naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijk risico loopt.
Opzet, kans en keuzes. Een analyse van doodslag in het verkeereen onderzoek dat hij heeft uitgevoerd. Hij heeft aan deelnemers van zeventien versies van de SSR-cursus ‘Gevaar, opzet, roekeloosheid en schuld in het verkeer’ gevraagd, kort gezegd, waar de ondergrens van de aanmerkelijke kans volgens hen procentueel ligt. Uit een tabel die in dit boek is opgenomen blijkt hoezeer de 304 antwoorden op deze vraag die een percentage noemen verschillen. Samengevat: het gemiddelde is 40,8 procent; de standaarddeviatie is 25,4. ‘Dat betekent dat het oordeel van de gemiddelde deelnemer meer dan 25 procentpunten afwijkt van het gemiddelde van 40,8 procent’, zo legt Van Dijk aan de statistisch minder onderlegde lezer uit. [17] Duidelijk zal zijn dat het antwoord dat een rechter op deze vraag geeft, van belang kan zijn voor de beslissing in de onderhavige strafzaak. Wie berecht wordt door één van de 35 rechters die een kans van minder dan 10% eisen, staat er anders voor dan wie berecht wordt door één van de 35 rechters die een kans van tussen de 70 en 80% eisen.
NJ2007/313 (HIV-IV) had het hof voor het bewijs gebruik gemaakt van inschattingen door een deskundige van de kans dat de verdachte zijn partner met het HIV-virus zou besmetten. De kans op besmetting bij de in deze zaak gebezigde vorm van seksueel verkeer zou 1 op 200 of 300 bedragen. Uw Raad meende dat aan deze statistische gegevens mede in verband met volksgezondheidsbelangen onvoldoende gewicht toekwam ‘om op grond daarvan de aanmerkelijke kans aanwezig te achten die in gevallen als de onderhavige voor voorwaardelijk opzet is vereist. Dat de verdachte en zijn partner veelvuldig seksuele contacten hebben gehad, zoals het Hof heeft vastgesteld, kan weliswaar als een zekere verhoging van vorenbedoeld risico worden beschouwd, maar niet worden aangemerkt als een bijzondere, risicoverhogende omstandigheid’ die tot een andere uitkomst zou moeten leiden. Deze overweging is door Van Dijk bekritiseerd omdat de Hoge Raad de cumulatieve verhoging van de kans op een HIV-besmetting daarin (ten onrechte) zou bagatelliseren: ‘Cumulatieve kansgroottes van iets hoger dan respectievelijk 10 procent, 25 procent, 50 procent of 70 procent kunnen worden bereikt indien een kans van 0,5 procent (1 op 200) respectievelijk 22 keer, 58 keer, 139 keer of 241 keer wordt genomen’. [18] Het is onduidelijk of Uw Raad dergelijke berekeningen in zijn beoordeling heeft betrokken. Onaannemelijk lijkt mij in ieder geval dat Uw Raad elk van de percentages die Van Dijk noemt niet als een naar ervaringsregels aanmerkelijke kans zou zien.
NJ2016/423 lijkt op het eerste gezicht relevant in verband met de interpretatie van de naar ervaringsregels aanmerkelijke kans. Uw Raad overwoog in dat arrest dat uit de bewijsvoering het in de bewezenverklaring omschreven opzet van de verdachte niet zonder meer kon worden afgeleid ‘mede in aanmerking genomen dat het Hof in zijn nadere bewijsoverweging ten aanzien van de onder (l) genoemde stuurbeweging niets heeft vastgesteld waaruit kan volgen
dat en in welke mate(curs. BFK) een ongeval met dodelijke afloop waarschijnlijk was, terwijl dit evenmin zonder meer kan volgen uit de ten aanzien van de onder (m) genoemde stuurbeweging vastgestelde omstandigheden waaronder de auto van de verdachte in aanraking is gekomen met het dienstvoertuig’. Van Dijk signaleert dat Uw Raad de term ‘waarschijnlijk’ in deze overweging op twee verschillende manieren lijkt te gebruiken.
In welke mateduidt op een graduele vaststelling van waarschijnlijkheid;
dateen dergelijk ongeval waarschijnlijk moet zijn verwijst ‘alleen naar kansgroottes die zodanig groot zijn dat de kwalificatie ‘waarschijnlijk’ op zijn plaats is’. [19] Grammaticaal klopt deze analyse als een bus; ik vraag mij evenwel sterk af of Uw Raad werkelijk de opvatting huldigt dat slechts een kans die waarschijnlijk is (dan denkt men gauw aan een percentage van -ver- boven de 50%) naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk mag heten. Waarschijnlijker (een kans van boven de 50%) lijkt mij dat Uw Raad de taalkundig gebruikelijke uitdrukking ‘dat en in welke mate’ heeft gebezigd zonder zich deze implicatie te realiseren. Daarop wijst ook dat een vaststelling
in welke mateeen ongeval waarschijnlijk is, eigenlijk geen zelfstandige waarde heeft als daarnaast vastgesteld moet worden
dathet ongeval (in een bepaalde mate) waarschijnlijk was.
NJ2010/250. In die zaak had de verdachte twee kogels door een dichte deur geschoten. Het hof had de verdachte veroordeeld wegens poging tot moord. Uw Raad was van oordeel dat de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door de schoten dodelijk zou worden getroffen niet zonder meer uit de bewijsvoering van het hof kon volgen; ‘(d)ie houdt immers in dat [slachtoffer] zich ten tijde van het lossen van de schoten in de slaapkamer bevond terwijl die slaapkamer niet in het verlengde van de voordeur was gelegen. Gelet hierop is ’s Hofs oordeel dat een aanmerkelijke kans bestond dat een van de kogels hem dodelijk zou raken, niet zonder meer begrijpelijk’. Van Dijk meent dat de plaats waar het slachtoffer zich bevond ‘buiten de controle van de verdachte lag’ en daarom niet op deze wijze bij het vaststellen van de grootte van de kans mocht worden betrokken. [23]
NJ2017/198 m.nt. Rozemond. Daarin heeft Uw Raad geoordeeld dat de bijzondere omstandigheid dat het slachtoffer een steekwerend vest droeg niet onverenigbaar was ‘met de voor een poging toereikende vaststelling dat het met kracht steken van een mes in de buikstreek normaal gesproken een aanmerkelijke kans op de dood doet ontstaan’. Dat zou aansluiten bij zijn benadering: dat het slachtoffer een steekwerend vest droeg lag buiten de controle van de verdachte. Van Dijk leidt uit deze uitspraak (en uit HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5260,
NJ2012/131) af dat de benadering die Uw Raad in HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6765,
NJ2010/250 koos buiten beschouwing kan worden gelaten. [24] Zelf ben ik daar minder zeker van. Uw Raad maakte niet duidelijk waarom het dragen van een steekwerend vest bij de vaststelling van opzet buiten beschouwing mocht blijven; gesproken wordt slechts van een ‘bijzondere omstandigheid’. Denkbaar is ook dat Uw Raad alleen duidelijk heeft willen maken dat buiten het normale patroon liggende omstandigheden buiten beschouwing mogen blijven. Daar zou HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6765,
NJ2010/250 dan nog steeds bij passen. Dat de bewoner zich omstreeks 4.43 uur (na het uitgaan) in zijn slaapkamer bevond, is niet heel bijzonder.
NJ2010/250 zien hoe bij de vaststelling van de objectieve kansgrootte te werk kan worden gegaan. Hij selecteert eerst de factoren die bij de berekening van de kans betrokken moeten worden. [25] Hij voert vervolgens een statistische analyse uit waarin hij een tabel gebruikt waarin de geschatte kans op het intreden van de dood gerelateerd wordt aan de plaats van de wond (hoofd en borst; buik, rug en nek; schouder, arm en been) alsmede het kaliber van de kogel. En hij voert een simulatie uit om de bovengrens van de trefkans vast te stellen. Uitkomst is dat hij de kans dat het slachtoffer door één van beide kogels dodelijk wordt getroffen op 1,5% schat. Het is een wijze van bewijsvoering waar vermoedelijk niet iedere strafrechtjurist warm voor zal lopen.
NJ2016/423.
NJ2003/552 m.nt. Buruma (HIV-I) heeft Uw Raad inzake deze eis het volgende overwogen:
vierdemiddel (door de steller abusievelijk wederom als derde middel genummerd) richt zich tegen de verbeurdverklaring van de drie honden. Ik bespreek dit middel voor het geval Uw Raad van oordeel is dat het derde middel niet slaagt.