Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
22 mei 2018.
Hoge Raad
De betrokkene stelde cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het hofarrest, maar alleen met betrekking tot de hoogte van het opgelegde bedrag, en vermindering daarvan.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden en dat het tweede middel gegrond was vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot vermindering van het te betalen bedrag.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en stelde het bedrag vast op € 35.406,-. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 22 mei 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het bedrag van de opgelegde betalingsverplichting tot € 35.406,- en verwerpt het beroep voor het overige.