Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
22 mei 2018.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Namens verdachte diende de raadsman een schriftuur in, maar deze werd pas na afloop van de wettelijke termijn ontvangen bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte.
De Hoge Raad oordeelde dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd, waardoor de verdachte niet in het beroep kon worden ontvangen. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 22 mei 2018.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het cassatieschrift.