ECLI:NL:HR:2018:767

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 mei 2018
Publicatiedatum
24 mei 2018
Zaaknummer
17/05622
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake belastingaanslagen en boetebeschikking

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 oktober 2017, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Nederland werd behandeld. De zaak betrof aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2006 tot en met 2012, beschikkingen inzake heffingsrente over de jaren 2006 tot en met 2008, en een boetebeschikking voor het jaar 2008.

De Hoge Raad ontving verweren van zowel de Staatssecretaris van Financiën als de Minister van Justitie en Veiligheid, en een conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de klachten oordeelde de Hoge Raad dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad besloot dat er geen gronden waren voor een veroordeling in de proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd op 25 mei 2018 in het openbaar uitgesproken door raadsheer Fierstra als voorzitter, samen met raadsheren Beukers-van Dooren en Cools.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het hofarrest blijft in stand.

Uitspraak

25 mei 2018
nr. 17/05622
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 17 oktober 2017, nrs. 16/00489 tot en met 16/00495, op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Noord‑Nederland (nrs. LEE 13/2995 tot en met 13/2997 en 14/3001 tot en met 14/3005) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2006 tot en met 2012 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de voor de jaren 2006 tot en met 2008 gegeven beschikkingen inzake heffingsrente en de voor het jaar 2008 gegeven boetebeschikking.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
Zowel de Staatssecretaris van Financiën als de Minister van Justitie en Veiligheid heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2018.