ECLI:NL:HR:2018:81

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2018
Publicatiedatum
24 januari 2018
Zaaknummer
16/01202
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 470 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens onvoldoende bewijs persoonsverwisseling bij medeplegen diefstal

De zaak betreft een arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2018 waarin een verzoek tot herziening werd behandeld van een vonnis van de Politierechter te Zutphen uit 2013. De aanvrager was veroordeeld voor meermalige diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij een werkstraf van 30 uur of subsidiair 15 dagen hechtenis was opgelegd.

Het herzieningsverzoek berustte op de stelling van persoonsverwisseling, waarbij de broer van de aanvrager zich zou hebben schuldig gemaakt aan de diefstallen en zich had uitgegeven voor de aanvrager. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de aanvraag niet ontvankelijk was omdat het aangevoerde geen nieuw gegeven was dat tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging zou kunnen leiden.

De Hoge Raad overwoog dat volgens artikel 457 lid 1 onder Pro c Sv een herziening slechts kan worden toegewezen indien sprake is van een nieuw, door bescheiden gestaafd gegeven dat bij de oorspronkelijke terechtzitting niet bekend was en dat ernstige twijfel aan de schuld van de veroordeelde wekt. Dit was niet het geval, omdat de resultaten van het verzochte nader onderzoek en de ingebrachte stukken onvoldoende steun boden aan de stelling van persoonsverwisseling.

Daarom wees de Hoge Raad het verzoek tot herziening af en bevestigde daarmee het vonnis van de Politierechter. De beslissing werd genomen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens onvoldoende bewijs van persoonsverwisseling.

Uitspraak

23 januari 2018
Strafkamer
nr. S 16/01202 H
MM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen, van 1 februari 2013, nummer 06/190571-12, ingediend door D.E. Wiersum, advocaat te Haarlem, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van
1. diefstal door twee of meer verenigde personen" en
2. " diefstal door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot een werkstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.

2.De aanvraag tot herziening

2.1.
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat sprake is van een persoonsverwisseling.

3.De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag zal afwijzen.

4.Beoordeling van de aanvraag

4.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2.
Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie vermelde gronden kan het in de aanvraag aangevoerde niet worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge art. 470 Sv Pro worden afgewezen.

5.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 januari 2018.