ECLI:NL:HR:2018:816

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juni 2018
Publicatiedatum
31 mei 2018
Zaaknummer
17/02820
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Belanghebbende heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting, een boetebeschikking en een beschikking inzake heffingsrente over de periode 2007-2009. Na afwijzing door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en het Gerechtshof 's-Hertogenbosch werd beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie echter niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was voldaan. De griffier heeft belanghebbende meerdere malen schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een termijn gesteld voor betaling. Door onbestelbaarheid van de eerste brief is adresverificatie verricht waarna een gewone brief is verzonden. Ondanks een laatste gelegenheid om te reageren op het niet-betalen van het griffierecht, heeft belanghebbende geen voldoende reden gegeven voor het uitblijven van betaling.

De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb het beroep in cassatie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest is uitgesproken op 1 juni 2018 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

1 juni 2018
nr. 17/02820
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
B.V. [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 4 mei 2017, nr. 16/03886, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 13/4228) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2007 tot en met 31 december 2009 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 27 juli 2017 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is wegens onbestelbaarheid teruggezonden aan de Hoge Raad, waarna adresverificatie heeft plaatsgevonden en het stuk bij gewone brief van 17 augustus 2017 is verzonden naar het adres van belanghebbende. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende, laatstelijk bij aangetekend verzonden brief van 14 november 2017, in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in haar brief van 8 december 2017 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2018.