Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
5 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake poging tot zware mishandeling door het toebrengen van een klap tegen het oog en een trap tegen de zij in een café te Etten-Leur.
De Hoge Raad beoordeelt twee middelen: het eerste middel wordt verworpen zonder nadere motivering omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproept. Het tweede middel klaagt over een vermeende overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase vanwege te late inzending van stukken door het hof.
De Hoge Raad oordeelt dat de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep is afgedaan, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn voldoende wordt gecompenseerd en er geen sprake is van een schending van het recht op een redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
Daarom wordt het beroep verworpen en blijft het arrest van het hof in stand. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 5 juni 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.