Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
5 juni 2018.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman schriftelijk middelen van cassatie ingediend, zoals vereist op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. De Hoge Raad volgt dit advies en oordeelt dat het ontbreken van tijdige indiening van middelen betekent dat de verdachte niet kan worden ontvangen in het beroep.
Daarom verklaart de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep, waarmee het cassatieberoep wordt afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen door een raadsman.