Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
3.Slotsom
4.Beslissing
5 juni 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van schuldwitwassen door het omzetten van geldbedragen in chalets in de periode januari 2004 tot en met april 2008. Primair werd zij vrijgesproken van witwassen, subsidiair veroordeeld voor schuldwitwassen. De Hoge Raad oordeelt dat de absolute verjaringstermijn voor schuldwitwassen, zoals bepaald in art. 70.2 jo. 72.2 Sr, ten hoogste tweemaal zes jaren bedraagt, waardoor het Openbaar Ministerie ten tijde van het arrest van het hof slechts ontvankelijk was voor een deel van de periode.
De Hoge Raad stelt dat het arrest van het hof daarom niet in stand kan blijven, ook niet voor het primair tenlastegelegde witwassen, omdat het cassatieberoep onbeperkt is ingesteld en niet gedeeltelijk is ingetrokken. Dit leidt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing aan het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting binnen de juiste verjaringstermijnen.
De zaak betreft de omzetting van geldbedragen, vermoedelijk afkomstig uit misdrijven, in chalets op een recreatieterrein te Lathum. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uur, subsidiair veertig dagen hechtenis. De Hoge Raad benadrukt de strikte toepassing van verjaringstermijnen bij schuldwitwassen en bevestigt de noodzaak van ontvankelijkheid van het OM binnen die termijnen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens overschrijding van de absolute verjaringstermijn schuldwitwassen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.