Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2018:879

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2018
Publicatiedatum
8 juni 2018
Zaaknummer
18/00426
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake onroerendezaakbelastingen gemeente Deurne

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 december 2017, waarin het hoger beroep tegen uitspraken van de Rechtbank Oost-Brabant over beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen onroerendezaakbelastingen van de gemeente Deurne werd behandeld.

De Hoge Raad ontving klachten van belanghebbende, maar oordeelde dat de nieuwe stellingen in de conclusie van repliek buiten de cassatietermijn vielen en daarom niet in behandeling konden worden genomen. De overige klachten waren onvoldoende om tot cassatie te leiden, mede omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad besloot daarom het beroep in cassatie ongegrond te verklaren en wees geen proceskosten toe. Dit arrest werd gewezen door de raadsheren Groeneveld, Wortel en Beukers-van Dooren en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

8 juni 2018
nr. 18/00426
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 21 december 2017, nr. 16/03845, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost‑Brabant (nr. SHE 15/6812) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Deurne voor de jaren 2013 tot en met 2015 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z].

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Belastingsamenwerking Oost‑Brabant heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Dit stuk bevat stellingen die niet anders kunnen worden begrepen dan als nieuwe, buiten de daarvoor geldende termijn voorgestelde, gronden van het cassatieberoep. De Hoge Raad gaat aan die stellingen voorbij (vgl. Hoge Raad 11 april 2003, nr. 38281, ECLI:NL:HR:2003:AF7103, r.o. 3.1).

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer Th. Groeneveld als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers‑van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018.