Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Wet- en regelgeving, jurisprudentie en literatuur
Wetgeving
5.Beoordeling
in verband met– voor zover hier relevant –
directe investeringen of het verrichten van financiële diensten. Artikel 64, eerste lid, VWEU bevat een limitatieve lijst van kapitaalbewegingen die aan de toepassing van artikel 63, eerste lid, VWEU kunnen worden onttrokken. [43] ‘Directe investeringen’ en ‘het verrichten van financiële diensten’ zijn twee van de vier genoemde kapitaalbewegingen.
gerechtvaardigdworden geacht wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen. [57] Als er al wel aanwijzingen zijn, geldt dat de inspecteur met redelijke voortvarendheid de (navorderings)aanslag moet voorbereiden en vaststellen (de zogenoemde voortvarendheidseis). [58]
nietvatbaar zijn voor hoger beroep, is gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden met een vraag over de uitlegging van Unierecht. Een nationale rechterlijke instantie - zoals het Hof - waarvan de beslissingen nog
welvatbaar zijn voor hoger beroep, mag ook eerst, alvorens uitspraak te doen, een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voorleggen, maar is daartoe niet gehouden.