Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
12 juni 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. Het beroep richtte zich onder andere op de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.
De Hoge Raad stelde vast dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Hierdoor was de redelijke termijn overschreden, hetgeen een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met zes maanden rechtvaardigt.
De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad vernietigde daarom uitsluitend het onderdeel van de strafduur en beperkte de straf tot vijf maanden en een week gevangenisstraf.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf maanden en een week wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.