Conclusie
‘medeplegen van een ander door bedreiging met een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, meermalen gepleegd’tot een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de benadeelde partij [betrokkene 1] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 2] toegewezen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest omschreven.
eerste middelklaagt dat ’s hofs overweging dat namens de verdachte geen hoger beroep is ingesteld tegen de tussenbeslissing van de rechtbank tot toewijzing van de vordering tot wijziging tenlastelegging, zodat die wijziging onherroepelijk is geworden, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
‘akte rechtsmiddel’d.d. 11 augustus 2015 blijkt dat beroep wordt ingesteld tegen
‘het eindvonnis d.d. 28 juli 2015’. Niet blijkt dat uitdrukkelijk beroep is ingesteld tegen de tussenuitspraak van de rechtbank inzake de toewijzing van de vordering wijziging tenlastelegging. Echter, gezien hetgeen onder randnummer 5. van deze conclusie is opgemerkt, heeft de verdediging namens de verdachte bij het hof verweer gevoerd tegen die toewijzing van de vordering wijziging tenlastelegging. Dit heeft tot gevolg dat het ervoor moet worden gehouden dat het hoger beroep mede is ingesteld tegen deze tussenuitspraak van de rechtbank. Gezien het voorgaande getuigt oordeel van het hof hieromtrent dan ook van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt in zoverre.
‘thans subsidiair ten laste gelegde (…) te worden beschouwd als het meer subsidiair ten laste gelegde’. De rechtbank
‘acht de vordering wijziging tenlastelegging toelaatbaar”. [8] De verdachte is vervolgens door het hof vrijgesproken van de als gevolg van de wijziging tenlastelegging toegevoegde en subsidiair ten laste gelegde oplichting (art. 326 Sr Pro) en veroordeeld voor het meer subsidiair ten laste gelegde, te weten dwang (art. 284 Sr Pro). De wijziging van de tenlastelegging heeft daarmee materieel gezien geen invloed gehad op de uitkomst van de procedure in hoger beroep. Dit brengt vervolgens mee dat, anders dan de stellers van het middel menen, de verdachte niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij vernietiging en een eventuele nieuwe behandeling van zijn zaak. [9]
tweede middelklaagt dat hoewel het hof heeft overwogen de door [betrokkene 3] afgelegde verklaringen niet tot het bewijs te zullen bezigen, zo een verklaring desalniettemin tot het bewijs heeft gebezigd.
[betrokkene 1] dreigend toegevoegd de woorden (van de strekking): “Als je het niet doet, ben je nog lang niet van ons af” en “Als jullie het niet doen dan zijn de consequenties voor jullie, dan gaan we jullie leven zuur maken”, en
misbruik gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of de kwetsbare positie van [betrokkene 1] ;
het aangaan van een schuld, te weten het afsluiten van telefoonabonnementen bij telecomproviders en een lening voor een televisie en
de afgifte van telefoons en een televisie toebehorende aan [betrokkene 2] , immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader (dreigend) gezegd tegen [betrokkene 2] dat hij moest doen wat hem gezegd werd, anders zou hij iets krijgen en
de portier van een auto waarin [betrokkene 2] zich bevond op slot gedaan en [betrokkene 2] met die auto vervoerd naar één of meer winkel(s)/ telecomprovider(s) om [betrokkene 2] daar telefoonabonnementen en lening op diens naam te laten afsluiten en
misbruik gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht en/of de kwetsbare positie van [betrokkene 2] .”
derde middelklaagt dat uit het arrest noch uit het verhandelde ter zitting blijkt dat sprake is van
“kwetsbare slachtoffers”,zodat de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten (zie hierboven onder 13) en de strafmotivering onvoldoende met redenen zijn omkleed.
“1. Zaak [betrokkene 1] ”het volgende aangevoerd:
“Strafmotivering”overweegt het hof het volgende:
.Of bij toepassing van art. 273f Sr sprake is van een dergelijke positie moet blijken uit het feitelijk bewezenverklaarde. [15]
vierde middelkomt op tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] . Het middel klaagt in de kern genomen dat zich geen geval heeft voorgedaan als bedoeld in art. 6:106 BW Pro, zodat de toewijzing van immateriële schadevergoeding aan deze benadeelde partij getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel de toewijzing van dit deel van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel onvoldoende met redenen zijn omkleed.
als je niet doel wat ik zeg dan krijg je wat” of woorden van gelijke strekking, diverse abonnementen hij telefoonproviders afgesloten alsook een televisie op afbetaling aangekocht. Dit alles onder dwang.
vijfde middelklaagt over de schending van de redelijke termijn.